Koude kak
Er lag wéér poep op straat. Hondenpoep. Altijd maar die stinkende, ellendige hondenpoep. Van de buurman natuurlijk. Nou, laten we zeggen de hond van de buurman. De bruut was net zo lelijk als de buurman zelf. Smerige lange bruine haren, of dat nou pigment, modder of stront was. Als het mormel nat was geregend zág je de schimmelige geur via de schoorsteen het huis uit waaien. Nee, gelukkig hoefde ik nooit op bezoek in dat hopeloze krot. Ik zou er sowieso op slag claustrofobisch van worden. De buurman. Zeker hij kon er zijn kont niet keren met dat formaat; toch had hij nooit de moeite genomen eens normaal te doen, zich te scheren en een fatsoenlijke baan te nemen. Hij zat al jaar en dag thuis, strompelde hoogstens zo nu en dan, dronken, zo constateerde ik altijd, door zijn voortuin, als de hond een rondje kwijlde door de straat.
Maar die poep lag er, en op míjn stoep. Wat dacht de ziel wel niet? Dat ik geld zat had om het op te ruimen? Alsof ik het aan hem of zijn hond zou verkwisten! Hij moest maar zorgen dat er wat anders dan mijn belastinggeld op zijn rekening kwam!
Kwaad sloeg ik de deur achter me dicht en liep met een grote boog om de drol heen. Halverwege keek ik achterom en nog eens naar het huis van de buurman. Wat een doorn in het oog naast mijn strakke gazonnetje en blinkende kozijnen. De tuin van de buurman was een rotzooi, het kleine stukje gazon lag vol blad van de verwilderde bomen en er lag zelfs een emmer te verpieteren in een hoekje. Wat was er mis met een tuinman?
Toch stond er een onbekende auto voor de deur en dat maakte me ergens nieuwsgierig. Zou hij dan eindelijk een huishoudster hebben? Ik liep met grote passen verder en drukte hard op de bel.
Het geluid dat ik hoorde kwam van boven. Hij had zijn bel boven geïnstalleerd! Hij kwam dus echt nooit uit zijn bed. Ik zag al voor me hoe de slaapkamer vol zou liggen met lege flessen drank en hoe de huiskamer er dan uit moest zien; oude, lelijke meubels vol stof die al uit elkaar vielen als je er alleen naar keek. Ik walgde bij het idee.
Ik hoorde gestommel en geblaf in huis, maar de deur ging niet open. Natuurlijk, de buurman durfde niet open te doen. Ik had het immers ook niet gedurfd als de eigenaar van zo’n net huis voor deze deur stond te wachten. Een harde werker bovendien die zijn verplichtingen naar de maatschappij kent! Niet voor niets had ik onlangs nog een flinke bonus gekregen.
Tevreden maar tegelijkertijd nog altijd kwaad en ongeduldig drukte ik nogmaals op de bel, terwijl ik de neiging voelde mijn wijsvinger te gaan wassen.
Op dat moment ging de deur open. Ik voelde een golf van woede omhoog komen en opende mijn mond om een preek te beginnen.
Tot ik zag wat daar achter de deur stond. Mijn mond ging verder open, maar nu van verbazing. Voor me stond een rolstoel, waarin een man met een verminkt gezicht moeizaam zijn hond aaide. Achter hem een jongedame. “Dag meneer, ik ben de verpleegster van de heer Berends. Wat kan ik voor u doen?”
Ik keek verbaasd naar de buurman. Hij lachte met alleen zijn linker mondhoek. De rechterkant van zijn gezicht was star en doods. “Ehm, ik wilde, eh, zeggen dat…”
“Ja?”
“Er hondenpoep van de hond van de heer Berends op mijn stoep ligt.”
Het was even stil. “Nee hoor,” zei de verpleegster nu met heldere stem, “Fasse doet zijn behoefte altijd op het hondentoilet. Dat is hier in de tuin ingericht omdat de heer Berends hem niet zoals een normaal baasje kan uitlaten.”
Mijn mond klapte dicht. Ik voelde me belachelijk gemaakt. Mijn buurman gehandicapt? Een gehandicapte naast míjn huis? En toch was de hondendrol niet van zijn hond afkomstig? Woedend draaide ik me om en beende weg zonder iets te zeggen. Hoe dúrfde dat mens zo een walgelijke smoes te verzinnen om die stront niet op te hoeven ruimen. En kijk toch naar dat huis! Schoonmaken had ze sowieso al niet geleerd zeker! Ik keek achterom en in het gezicht van de verpleegster. Ze lachte. Ze had het lef om me uit te lachen! Een moment leek ik blind. Weer opende mijn mond zich.
Toen voelde ik iets zachts onder mijn leren schoen. Een doordringende geur kwam mijn neusgaten binnen.
Heerlijk, die maatschappijkritiek, die al ruim voor het keerpunt duidelijk wordt. =)
Nice!
Hihi net goed! dacht ik bij de laatste twee zinnen :)
Oh, dus je voelde hem niet al mijlenver aankomen? (want ik vond hem zelf wel een beetje voor de hand liggend :P)
Aanstormend talent zou ik wederom willen zeggen
maar laat svp wel die schoen buiten liggen…
Hm nee, ik zag hem niet aankomen tot de laatste twee alinea’s of zo. Ik denk dat het ermee te maken heeft dat je als lezer ook verward bent door wie er wel in het huis woont. Dat leidt af van de clou. Tenminste, bij mij. Maar misschien ben ik traag van begrip :’)
Wie er in het huis woont is natuurlijk ook een deel van de clou.
Is dat dan niet de hele clou? :}
Hm het hangt ervan af hoe je ‘clou’ interpreteert… Naja, het komt toch ongeveer op hetzelfde neer haha.