Wees niet verbaasd dat deze brief hier voor je ligt. Wie ik ben moet ik helaas in het midden laten; je zou het toch niet geloven. Maar ik weet dat dit het moment is waarop je mij heel hard nodig hebt.
Het gaat niet goed met je. Dat weet je zelf ook. Maar het is niet wat je denkt dat het is. Het heeft niets met gebroken vriendschap te maken. Vergeet die vriendschap, want zij is het echt niet meer waard om in je gedachten te zijn. Vergeet dat het die gedachte is die zojuist je toets natuurkunde verpest heeft. Vergeet die toets, want ik kan je vertellen dat je een voldoende hebt. Ook al is het minder dan je had gekund, met jouw cijfers gaat het toch wel goedkomen. Dat weet je.
Denk eens goed na, hoe lang is dit al gaande? Komt het door dat meisje dat je je zo ellendig voelde? Geloof me, dat is het niet. Zie je niet dat dit al jaren voortduurt, dat je concentratievermogen steeds verder afneemt? Dat je lichaam langzaamaan steeds zwaarder voelt?
Ik weet dat het moeilijk is voor je om te geloven. Jij bent immers altijd het gezonde kind van jouw gezin geweest. Kerngezond. Was het maar waar. Je bent ziek. Je moeder is op het goede spoor, maar je moet het zelf doen, want zij weet niet dat jij ook een van degenen in je familie bent. Je moet zelf opstaan, heel binnenkort, want er zal niemand anders zijn die het aan je ziet. Luister naar je lichaam, alsjeblieft. Laat je niet gek maken door al die artsen die het tegendeel willen bewijzen. Laat je niet gek maken, nooit, ook niet als ze je van medicatie willen laten wisselen of helemaal willen laten stoppen. Doe wat goed voelt en houd vol.
Kijk eens in die spiegel, lach eens naar jezelf? Voorkom het moment waarop die lach leeg en dood zal zijn. Voorkom het moment waarop je kapot in je bed ligt, op de bank, of op de koude vloer, en smeekt of het niet afgelopen kan zijn. Diep in jou zit een rasoptimist, een levensgenieter, dat weet je toch? Er is maar één manier om die weer naar boven te halen. Zoek alsjeblieft medische hulp. Alsjeblieft.
Nou mensen, dat was hem weer. Het Eurovisie Songfestival. En godzijdank zijn we nu weer een paar maanden van de commotie af. Nee, ik houd niet zo erg van het songfestival. En ja, ik houd wel van muziek. Dat is net het hele probleem, want het gaat niet meer om muziek. In de meeste gevallen niet tenminste. Vals zingen, ach, dat kan iedereen toch overkomen? Originaliteit is ook geen strikte vereiste. Kijk naar onze winnares van gisteren: blijkbaar kun je een songfestival winnen als je ‘Firework’ van Katy Perry een beetje ombouwt.
Waar het dan wel om gaat? Blij doen. Hyper zijn. Stomme dansjes bedenken. Debiele kleding aantrekken. Tenminste, dat soort songs komen over het algemeen belachelijk ver, ten koste van nummers die echt ergens over gaan.
Neem nou Rusland. Wáárom wordt Rusland tweede? Zes oma’s op het podium die vals zingen en geen Engels kunnen. Het lied zelf is hoogstwaarschijnlijk door een kind van acht gecomponeerd. En het is ook nog eens zo verschikkelijk blij, zo irritant overdreven feel-good dat je er hoofdpijn van krijgt. Zelfs als wij het saaie nummer van de 3JS, de zenuwen van Joan, de kapotte lichtpakken van de Toppers en de net iets te dikke billen van Sieneke hadden gecombineerd hadden we een betere act gehad dan de Russen. En tóch wordt er wel op Rusland gestemd en niet op ons. Nou goed, dat er niet op ons wordt gestemd staat eigenlijk los van het probleem. Wij dienen gewoon als lulletje rozenwater, als het nerdje van de klas waar iedereen altijd stiekem om moet lachen, omdat we nou eenmaal zo ons best doen om erbij te horen dat we een beetje onhandig worden. Logisch. Maar níet logisch is het feit dat valszingende oma’s tweede kunnen worden. Ja, het lied blijft inderdaad hangen. Dat klopt.
Vrijdagavond, Veolia-treinstel 206, Mook-Molenhoek. Toevallig stopt de trein zo dat ik hem weerspiegeld zie in de ramen van een hokje op het station. Ik kijk in het gezicht van Jan Linders, die op het motorrijtuig staat afgebeeld. Plotseling vraag ik me af wat die Jan eigenlijk in zijn nek heeft. Het is me nooit eerder opgevallen dat daar iets raars zat. Wat is het, zijn hand?
Ik kijk nog eens goed. En dan zie ik het. Het is Connie Palmen. Dat is minder absurd dan het lijkt. Connie is namelijk één van de andere bekende Zuid-Nederlanders die is afgebeeld aan weerszijden van één van de treinen van Veolia. En haar halve gezicht is blijkbaar in de beeltenis van Jan Linders beland. Ik besluit dat er iemand werkt bij Veolia die gewoon niet zo goed is in puzzelen. Of een hekel heeft aan de Jan Linders. Kan gebeuren.
Maandagmiddag, Veolia-treinstel 206, Boxmeer. Goed; ik bevind me dus weer in hetzelfde treinstel en zie weerspiegeld in mijn voormalige middelbare school dat Jan Linders nog steeds voor de helft uit Connie Palmen bestaat. Als ik de volledige spiegeling van de trein bekijk zie ik dat het bovendien het treinstel met Connie Palmen is, dat achter het mijne hangt. En Connie is intact. Dat is interessant. Dit moet betekenen dat ik, als ik straks uitstap en langs de andere kant van de trein loop, een hele Jan en een halve Connie zal aantreffen.
Niets blijkt minder waar. In Vierlingsbeek inspecteer ik beide afbeeldingen grondig maar kan geen sporen ontdekken van enige verwisseling: ze zijn allebei helemaal heel. Ben ik nou zo dom? Aan mijn bril kan het niet liggen, ik was laatst nog bij de opticiën.
Ik check, check en dubbelcheck elke keer als ik een van beide treinstellen zie, maar kan uiteindelijk niet anders concluderen dan dat Connie tegenwoordig een rechterhelft te veel heeft. En Jan een te weinig. Kan iemand dit mij uitleggen? Wat is Connie van plan? Wie is haar volgende slachtoffer? Toch niet Jack, mag ik hopen.
Pas op mensen, let op mijn woord. Connie is bezig aan een invasie. Als we niet uitkijken, is ze straks overal. Op de Veolia-treinen. Op NS-treinen. Op je voordeur, in je badkamer, in je bed. Behoed je!
Hij is voor mij altijd een mysterie geweest. Vroeger hoorde ik de verhalen over mensen uit het dorp die speciaal voor hem helemaal naar het verre Amerika gingen. Wat dat precies inhield besefte ik nauwelijks, eigenlijk wist ik niet eens wie of wat hij was. Michael Jackson. Maar het was groots, dat was zeker. Zijn muziek sijpelde langzaam binnen in mijn leven, zonder dat ik er bewust mee bezig was. En toch deed het wat met me, er was iets raars aan de hand.
Ik kon er niet naar luisteren.
Om het even welk nummer, die stem van Michael maakte iets in me los waar ik niet tegen kon. Als ik zijn gezicht zag werd dat gevoel alleen maar erger. Een pijn die ik niet kon plaatsen, die niet van mezelf was. Ik weet niet waar het vandaan kwam. De verhalen over hem, die hoorde ik later pas. Het paste in dat gevoel.
Nu Michael niet meer is blijkt de pijn weg te zakken. Nu kan ik zijn stem horen zonder dat mijn maag zich samentrekt. Alsof het goed is zo. Ik weet niet of het allemaal in mijn hoofd zit. Misschien heeft het niks met Michael te maken. Maar misschien toch ook wel.
Hij rijdt door de Peel. Ik houd van de Peel, maar als je er om acht uur ’s ochtends doorheen komt en om tien uur ’s avonds weer was het een lange dag. Al helemaal als je bedenkt dat ik heel die dag les gegeven heb.
Examentraining. Voor het vijfde jaar, maar als het goed is was dit de laatste dag. Want binnenkort gaat er een beurs voor mij worden aangevraagd, een beurs voor een promotieplek.
De laatste keer, en dat voelt raar. Enerzijds lucht het me op: de werktijden zijn lang en de druk is hoog. De pruttel die ik op het lab heb wacht wel een paar minuten, een kwartier, of desnoods een uur, maar voor een leerling zijn minuten lang. Voor mij zijn ze kort, als mijn concentratievermogen het af laat weten na al die uren werken.
Anderzijds zijn er de dankbare leerlingen, en de steeds weer nieuwe collega’s die allemaal hun charmes hebben. Dat nooit meer?
Hoe dan ook, ik hoop dat het de laatste keer was. Tijd voor een echte baan, die baan waarvoor ik ben opgeleid.
Voor in de trein knipperde:
Reuver.
Daar waren we niet, maar het stond er. De hele reis lang.
Bracht me terug naar een hele tijd geleden en ik was er niet eens
ooit echt geweest. Maar de herinnering bleef.
Ik probeerde er zo lang naar te kijken dat de letters zich om zouden vormen,
leeg en vlak zouden worden, zoals dat met de meeste woorden kan.
Maar het bleef er gewoon staan:
Reuver.
Met alle pijn.
Een wit vuur hing op het land. Het was de lentemist, die ons tot blinden maakte. In een heldergrijze wereld van kale bossen en koele woestijnen scheen de zon. Daar was het waar de vlinders vlogen en bloemen bloeiden, en mijn tranen om jouw oordeel vloeiden. Druppels op de bladeren als regenschermen. Op mijn rug in het warme natte gras waar de weemoed zich vervulde van licht, het leek op een gedicht. Een lach hing daar, op die plek van verborgen vertes en geuren van groen.
Maar ik zag het niet eens, want mijn trein, die vloog eraan voorbij.
Rusland. Het land van brede wegen en grote gebouwen. Je ziet de Griekse cultuur, maar ogenschijnlijk met nog meer rijkdom: zuilen, kerken, gouden daken, kandelaars en kaarsen. Hetzelfde alfabet, maar dan langer, en de taal is sterker, harder. Ligt altijd op het puntje van de tong. Russen zijn direct. Russen zijn harde werkers.
Land van de metro. Stations versierd, beelden en kroonluchters, warme wind, we ratelen tussen de muren. Het suizen maakt een gesprek onmogelijk, het leven gaat er hard. De geur van diesel en parfum. Vrouwen op torenhoge hakken en benen van ijzerdraad, vlechten als bloemen in het stijle haar. Bont. Precies zoals je Rusland verwacht.
Maar Rusland is ook Rusland. Het land van trappen met ongelijke treden, land van roestende hekken die nooit geschuurd, maar elke lente stomweg met dikke klodders overgeschilderd worden. De grauwe straten stinken, zand waait in je ogen en hoge hekken torenen uit boven de trottoirs. Geen groen, of hoogstens in de vorm van een vrachtwagen zonder voorruit: de bomen star en kaal, de bermen slechts uit modder. Het land waar je langzaam leest: Полиция, po-li-ts-i-ya en dan beseft dat twee paar ogen onder hoge petten je aankijken. Land van misplaatste trots, waar iedereen volgens eigen zeggen wel een nobelprijs verdiend heeft, maar gek genoeg nooit gekregen.
Armoede verraadt zich niet snel, maar toch zijn straten oud en de mooiste gebouwen blijken aan de achterkant vervallen. Een man zonder voeten kruipt rond met sandalen gebonden onder zijn knieën. Een vrouw zonder tanden. Een ander strompelt met een stok over het zebrapad, en heeft minstens drie keer groen licht nodig om aan de overkant te komen.
Op het onverharde plein een demonstratie onder kapotte rode vlaggen, maar de politie is in grotere getalen gekomen dan de demonstranten zelf.
Russen zijn harde werkers, maar hoe vaak de vrouwen ook poetsen, wat kapot is poets je niet weer heel.