‘Ik heb vurleupig wir genog geproat
ik heb ’t allemoal gezeen allemoal gehad
ik wil danse
danse met ow’
Ik zweefde op het prachtig zuchten van de accordeon, de dag, de nacht, de energie van de mensen, het zingen van de blazers.
‘Ik ken ’n megje dat woj danse
ik ken ’n megje dat woj danse de ganse oavend lang
van links nar rechts oaver de dansvloor
op en neer oaver de dansvloor vur niks en niemand bang’
Ja, dat woj ik zo ger, en ik sprong, ik sprong, mijn kapsel vloog uit de bocht maar het gaf niet.
‘Steeds mar door sneller oaver de vloor
ik wil danse
sneller rond met de bien van de grond
ik wil danse’
Dagenlang. En ik schitterde in de lichten, met al mijn duizenden pailletten. Mijn benen bleven niet stilstaan, konden niet stilstaan.
En toen was het dinsdag, twaalf uur. Zomaar ineens. Terwijl ik echt echt echt nog lang niet moe was. Maar de muziek ging uit.
Soms is het beter.
‘Op enne oavend nar ’t eate
‘k zal ’t mien leave neet vergeate
ze kos neet stoppe bleef mar dreie
steeds harder ging ze rond
ze zakte langzaam dor de dansvloor
ze zakte langzaam dor de dansvloor en ze ging umlieg’
‘in de aarde begraave
begraave deep onder de grond
dreit ze nou hiel langzaam rond’
(fragmenten: Jack Poels – Tuba en Dansen, Blieve Loepe, 1990)
Als kind heb je geen besef van tijd. Alles duurt lang, vooral heel erg lang. Het was dan ook een behoorlijke teleurstelling toen ik er rond mijn zevende achter kwam dat carnaval maar drie dagen duurde. Want wat is er voor een kind mooier dan carnaval vieren? Je mooiste pakje aan en de hele dag met je vriendjes en vriendinnetjes door de kroeg rennen, en alles mocht, in tegenstelling tot andere dagen. Alle avonden frietjes en laat naar bed. Dat was minstens zo geweldig als jarig zijn.
Aan het begin van de puberteit werd carnaval anders. Een dipje, kan ik wel zeggen. In de brugklas moest je vooral stoer zijn, dus het was not done om in je prinsessenpakje naar het schoolfeest te gaan. Nee, je was alleen stoer als je als punker ging. En daar stonden we dan, op het bruggersfeest, met tweehonderdnegenennegentig punkers en één banaan. Vanaf die avond was de jongen in het bananenpak de enige écht stoere jongen op school.
Gelukkig ging dat domme gedoe snel voorbij. En als je dan ouder wordt begin je te snappen wat eigenlijk het idee achter deze dagen is. Want het is zo heerlijk om een paar dagen al je zorgen los te laten en samen met al die andere mensen te doen waar je zin in hebt. En het is waar: je vergeet alles als je die vrolijke muziek hoort, het is alleen maar levenslust wat je om je heen ziet. Waarom zou je dan nog aan je dagelijks leven denken? Eigenlijk wel erg lief van mij dat ik ondanks dat toch nog een berichtje voor jullie zit te schrijven.
Alaaf!
We liepen over stukgevroren straten,
een beetje sneeuw, hand in hand.
En verblind door al die pracht
liet ik je los en rende, danste in de nacht.
Maar in de tijd dat ik niets zag
struikelde jij over de gaten,
gek van onbegrip en woede
zou je me voor de zomer verlaten.
De dag dat ik gebroken wakker werd en na het horen van de wekker mijn gordijnen open schoof, bleek de dag te zijn waarop ik voor het eerst zag dat er weer een beetje licht door de ramen kwam als ik ’s morgens op moest staan. Dus daar was hij dan: de lente. De eerste dag na een harde, prachtige winter met meer dan honderd natuurijskilometers, de dag dat ik langzaam bij moest gaan komen keek ik de lente recht in de ogen. Boven het land hing een mist van het smeltende water, land wachtend op vers groen.
Maar wat moet ik met warmte, zon, en blaadjes aan de bomen?
Het inzetten van de dooi doet altijd pijn.
Hij zag zijn trein in de verte staan, klaar voor vertrek, en zette het op een rennen. De seconden gaan altijd te snel als je haast hebt. Tot hij achter hem een vrolijke stem hoorde: “Harder! Je kunt het!”
Een warmte maakte zich meester van hem en de tijd leek opeens stil te staan. Hij keek om en daar stond ze, met een prachtige grijns op haar gezicht. Hij zag nog net haar vette knipoog toen hij nog harder begon te rennen, sneller dan ooit, alsof zijn benen elk moment boven de perrontegels zouden kunnen gaan zweven.
Maar toen hij blozend in de trein zat, en de motoren bromden, kon hij zichzelf wel voor zijn kop slaan. Hij was haar zo voorbij gerend, had haar laten staan om een half uur eerder thuis te zijn. Terwijl hij met haar wel uren zou kunnen praten.
Het stinkt, het brandt en smaakt bitter als blaren
dat wilde ik niet weten
maar jij was je niet bewust
dat het op mijn lippen spatte net voordat je me verliet
en als je weggaat zonder reden kun je bitterheid verwachten:
daarom gaf ik je die kus.
en het zal voor altijd in je bloed zitten :)
Geluiden zijn doffer, aangenamer. In tegenstelling tot de afgelopen dagen, toen de kou heldere klanken over kilometers droeg en de wind hen in schelle stukken brak. Het is veel rustiger nu, en de lucht is zacht. Fris, het diep inademen waard. Het land is een uitgestrekte witte vlakte, een zee van tijd onder een paarsblauwe verte, de bomen hebben de winter opgezogen en dragen op hun reikende armen de sneeuw die zij lijken te willen offeren.
Het is de winter die de wereld voor zichzelf eist. Wat zou je anders kunnen doen dan al het andere uit het oog verliezen. En genieten.
31 januari
In het midden van de coupé vond ik een mooi plaatsje. Ik ging zitten en las op de tas van de jongen tegenover me: “little things can make a big difference”.
Sure, dacht ik, want ik viel als een blok voor die tekst. Maar waarschijnlijk had hij met zijn tas al iemand anders ingepalmd. Mannen die zo goed gekleed gaan zijn meestal niet single.