Kom bij me
Soms lig ik te slapen en voel ik me brekend
alsof mijn schouders niet meer horen bij mijn knieën
maar wat heb ik aan twee zijn als jij er niet bij bent
waarom zijn we dan nooit met zijn drieën?
Soms lig ik te slapen en voel ik me brekend
alsof mijn schouders niet meer horen bij mijn knieën
maar wat heb ik aan twee zijn als jij er niet bij bent
waarom zijn we dan nooit met zijn drieën?
De wereld had zich aan de winter onttrokken. Toen het nieuwe jaar kwam hing de lauwe mist boven de nacht als trachtte hij te regenen, en gonsde de herfst rusteloos langs de dorpen.
Stamelend schaarde 2012 zich in ons huis, zich neerslachtig excuserend, maar tegelijkertijd met een schuldige blik in de ogen. De bomen waren nu echt kalend, dus de kou zou zich spoedig aandienen, beloofde hij nog half vooraleer hij zich met het schaamrood op de kaken achter zijn stapels kranten verschuilde.
Het bos smeekte om genade. Het was er loeiheet en ijzingwekkend stil. Vogels waren verdwenen en de wind joeg het kleurloze onheil langs de kale takken. Grijs. Grijs was de stilte, grijs was de verte, grijs waren de huiverende gestaltes. Tot een oranje puntje zich knetterend door de smeulende lucht baande. Vlammen vraten aan de voeten van de bomen, die zich doods hielden. In het vervloekte licht verscheen ineens de rand van de stad. De fabriekshallen en wolkenkrabbers die de dood in de ogen keken. Lichten waren gedoofd, de mensen gevlucht voor de waarheid die in hun gebouwen lag, het schroeiende geld, de brandende belangen.
In de rook was niets te zien van de onstuimige lucht die naderde en de huilende hel zou troosten met druppels van hoop, toen de aandelen verkromd, verkrampt, verkoold door de straten regenden.
Ik ben tweeëntwintig. Mooie leeftijd? Ja, bestwel. Jong, en uiterst knap bovendien, wat wil je nog meer? Nou, dat zal ik eens uitleggen: ik wil van die ellendige puisten af. Het begon allemaal lieflijk – rond mijn vijftiende, zoals dat gaat – met van die schattige kabouterpukkeltjes. Dat was helaas niet van lange duur. Het werden er niet meer, maar ze werden wel dikker. Een soort vasteklantenvoordeel ofzo. Hier en nu heb ik dan ook regelmatig van die enorme vulkaanuitbarstingen in mijn gezicht. En het ergste is: ze zeggen dat het zo ongeveer tot je vijfentwintigste duurt. Waar moet dat heen? Totdat ik weer af begin te takelen loop ik dus rond met mijn voordeelabonnement.
Nu mag ik niet klagen, want de laatste maanden begon de lucht te klaren. Mijn paddenstoelenkin hield zich zomaar ineens redelijk koest. En die paar mee-eters op mijn voorhoofd, nou, daar doe ik het voor – als het maar niet zo verschrikkelijk rood wordt.
Voor rode vlekken heb ik overigens een zeer groot talent. Geef me een glas alcohol en drie minuten laten zit ik helemaal onder: mijn voorhoofd, hals, handen, armen, om maar niet te spreken van mijn wangen, die tegen die tijd paars zijn. Maar dat is een ander verhaal.
De puisten dus. Zomaar ineens weg. En toen werd het kerst. En sloeg de paniek toe, want dat ene zwarte puntje begon ineens in een bultje te veranderen. En als de paniek toeslaat, dan ga ik domme dingen doen. Knijpen bijvoorbeeld. Dat hielp niet – ik smeerde er alleen een kilo bacteriën in. En zo geschiedde: deze mee-eter ging ontsteken. Ten einde raad ging ik op eerste kerstdag verder. Ik porde, krabde, camoufleerde, prikte maar niets hielp. Het zat veel te diep; daar heb ik nou eenmaal mijn abonnement voor.
Zodoende breng ik mijn kerst door alsof ik geprobeerd heb mijn voorhoofd te braden in de koekenpan, in plaats van de rollade. Ik denk dat ik in een hoekje ga huilen.
Zing een liedje
daar word je vrolijk van :)
Fijne kerst!
We spreken in het Engels. Je raakt maar niet uitgepraat en kijkt me steeds aan. Je lacht geforceerd om je eigen grapjes, waarvan ik de meeste niet eens versta omdat je de woorden zo verschrikkelijk gehaast over je lippen gooit.
Je lijkt het verhaal over je ‘Spanish girlfriend’ te zijn vergeten op het moment dat je vraagt of ik nog mee ga om iets te drinken.
Ik goochel nogmaals met mijn glimlach en zeg dat ik moe ben. Je hebt niets door.
Misschien ben ik te beleefd.
18 december
Daar zat ik dan. Voor mijn neus een leeg beheer en een maagdelijk witte website. ‘Niets gevonden’, luidde de tekst. Een schoon, nieuw begin, zonder verwikkeld te raken in de knoop van mislukte pogingen, gekunstelde oplossingen en oude rotzooi. Het was toen al prachtig.
En nu zijn we hier. Mijn vertrouwde layout weer terug, met hulp van Jaap, waarvoor duizendmaal dank! :D Ook voor mijzelf was het nog een heel gepruts, maar het is allemaal gelukt.
Eindelijk weer Silhouetten in de Schemering zoals het hoort te zijn!
16 december
De avond kloddert langs het raam. Het is zo’n dag waarop je ontdekt dat je schoenen niet waterdicht zijn en het elke keer precies (harder) gaat regenen als je naar buiten loopt. Zodoende zit ik met mijn voeten op de verwarming te luisteren naar een of ander raar wijf dat haar stem verloren is. Wat misschien door deze ellendige weersomstandigen komt, maar wellicht toch meer door slechte leefgewoonten.
Kom op nou, december! Waar is die heldere hemel die afsteekt tegen de rijp aan de bomen, de oostenwind, de wolkjes die we blazen op het moment dat we onze ogen dicht doen en de kou als een herinnering in onze kleren kruipt?
Nog vijf dagen, en dan wil ik de échte winter zien, als de zon zich krakend over de dragende velden werpt.
Eén debiel,
één seconde.
Zijn straten leeg
een stad die wacht
op het bericht dat niet komen zal,
de rook uit de schoorstenen gitzwart.
Wat overblijft is bitter en hard.
De jongeman uit Gent zag er uit als een echte Belg. Niet dat hij daar oorspronkelijk vandaan kwam, maar hij was goed ingeburgerd. Onmiskenbaar, met die grote Marcel Vanthilt-bril en het donkere, piekerige haar dat bijna meisjesachtig rond de bleke huid van zijn gezicht viel. Bleke huid, maar puntgaaf. Dat wel. En een glimlach die mijn zelfverzekerde looppas heel even deed vertragen. Hij was goed gekleed en droeg geen trouwring bovendien. Ook belangrijk.
In perfect Nederlands complimenteerde hij me over mijn werk. Weer die brede glimlach, witte tanden, kuiltjes in zijn wangen. Ik bedankte hem. Een knappe, intelligente en bovendien accentloze half-Vlaming. Het beviel me wel. Ik stelde nog wat vragen, die telkens met die lach beloond werden. Duidelijk: ik gecharmeerd van hem, hij gecharmeerd van mij. Eind goed, al goed.