Om half negen sta ik op om te douchen. Als ik klaar ben, komt mijn moeder de badkamer op en vraagt poeslief: ‘Heb je een afspraakje ofzo, dat je zo vroeg opstaat en je mooi maakt?’ ‘Ja, ik heb een afspraak.’ ‘Zozo, met wie? Waar?’
Ik rol met mijn ogen, ze was er tenslotte zelf bij toen ik belde. ‘Bij de huisarts!’
Blijkbaar een tegenvaller. Maar ik kan het ook niet mooier maken dan het is.
Het was vier jaar geleden, en zo veel beter dan die lange tijd me voorgehouden had. ‘Eindelijk’ had ik willen zeggen, maar dat was ik in alle ijl, in al mijn enthousiasme ook, vergeten. Ik kwam uit het donker omhoog en er viel een straal zonlicht over mijn gezicht. Ik ving een glimp op van de bomen onder me. Die glimp was tegelijkertijd het moment waarop ik in volle verbijstering de diepte in donderde. Het was verder dan het ooit geweest was. Feller. Voor ik wist waar de grond onder me was, was die alweer weg en scheen de brandende aprilzon in mijn gezicht. Er was geen tijd om te denken, er was geen ontkomen aan. De bochten sloegen me om de oren. Dat ik mijn ogen als vanzelf dichtkneep in de ergste van deze dwalingen maakte alles nog onstuimiger, nog zo veel anders dan toen, de waarheid minder hard en vooral zo veel mooier. Tenminste, op het moment dat ik er, toen de remmen gierden, over na kon denken.
Tussen de bloemen stond een bankje dat zich nu al door de nieuwe zomer had laten overwoekeren. Maar in de schaduw, dus geschikt. Er was nog net zichtbaar dat het een mooi wit stenen bankje was, en tussen de jonge takken was nog een plaatsje voor mij. Toen ik zat, zag ik dat naast me nog precies zo’n plekje was. Het leek ineens zo leeg, dat ik me alleen voelde. Ik was niet anders gewend dan alleen te zijn, het was niet erg om alleen te zijn. Het was wel erg om niet te weten wanneer het eindelijk anders zou worden. Ik wenste dat er iemand komen zou.
Er viel een rups op mijn schoot. Ze hadden het, geloof ik, niet helemaal begrepen. Ik zette hem in het gras. En toen zag ik de vergeet-mij-nietjes pas. Er was hier helemaal niemand om mij te vergeten.
Zat dat even een potje knap te wezen, pal tegenover me in de trein. Ik durfde niet te kijken, bang dat die heldere ogen me niet meer los zouden laten. Ik probeerde mijn puisten maar niet te verbergen. Sommige jongens zijn gewoon te mooi voor mij.
Wij werkten altijd hard. We waren iedere dag op het lab te vinden en zodoende waren we ook iedere dag samen. Toch kenden we elkaar nauwelijks. We benoemden wat onzinnige feitjes terwijl jij een kolom stortte en ik wat pipetteerde. Als we moesten wachten kliederden we flauwe grapjes op elkaars zuurkast. Soms klaagden we, als iemand de filmverdamper weer eens niet schoongemaakt had. We werkten zo hard, dat we niet in de gaten hadden dat we alles samen deden. Hoe we steeds per ongeluk hetzelfde liedje floten en elke dag samen het lab af liepen voor een korte pauze. Om, als we ons eten op hadden, tegelijk weer op te staan en de deur voor elkaar open te houden. We hadden geen tijd om over dingen na te denken: het ging om de chemie.
Tot de dag dat iemand een kast opentrok en een fles cyclo-octadieen voor zijn voeten kapot zag vallen. De stank drong zich alle labzalen over. Al het werk bleef liggen, want iedereen wist meteen dat het menens was.
Zoals altijd liepen wij met zijn tweeën de gang op. De sfeer was er opgelaten; iedereen had zich er verzameld en keek hoe mannen met gasmaskers het lab op gingen. Maar we vonden beiden al snel dat het ook hier veel te hard stonk. Dus liepen we samen naar buiten. In de kille wind at ik mijn appel, jij dronk je koffie. Toen we klaar waren speculeerden we of we al terug zouden kunnen. We verwachtten van niet, dus bleven we zitten en staarden we een tijdje in de verte, klagend over hoofdpijn en misselijkheid. Maar zulke korte zinnen waren al gauw gezegd. We liepen zwijgend een rondje om een beetje op te warmen en gingen ten slotte naar binnen om te kijken of het al beter was. Dat was het niet. Terug in de buitenlucht wisten we het niet meer. Wat we nog konden doen. We hadden niets te werken, niets te eten. Niets te lopen. En terwijl de zon langzaam doorbrak, restte niets anders dan van elkaar te houden.
Als je hier was, zou ik uren voor je kunnen zingen. Uren zonder klokslag, zonder eind zou ik nemen voor jou. Zo zou ik honderden akkoorden voor je verzinnen, mijn vingers over de piano laten gaan tot het donker werd en we niks meer zagen, en zelfs dan zou ik verder kunnen, want alle kleuren zouden in mijn klanken zitten. Als ik het wilde, zou ik tegelijkertijd op mijn mondharmonica en mijn saxofoon kunnen blazen. Wat je ook deed en wat je ook dacht; elke tekst die je zou kunnen wensen zou ik voor je mijmeren, elk lied zou ik schrijven. Ik zou de hoogste noten fluisteren en de laagste.
Ik zou je naar me toe zuigen met alle liefde die ik heb, ik zou elke toets en elke klep raken met de meest subtiele beweging en de grootste hartstocht. Voor jou. Voor jou zou ik de lucht kussen bij elke inademing. Ik zou elk gevoel voelen, alle verdriet, alle verlangen, de hoop, ik zou je al missen op elk moment dat ik mijn ogen sloot. Ik zou de muziek op jouw aanwezigheid laten drijven, de noten uit je ogen lezen, je handen nemen, je stem, ik zou alle geluid uit je halen en bespelen. Alle pijn zou ik uit alle snaren slaan, alle teleurstelling, en woedend door de nacht schreeuwen, ik zou je naam gillen, je naam, je naam, tot je zwijgend de tranen van mijn gezicht zou vegen. Troostend.