Mistral
De wind die de snaren van het huis aansloeg,
zij was de enige die me écht geborgen kon doen voelen.
De wind,
de enige die je kon vertrouwen;
ze kon aanwakkeren of gaan liggen, maar
blijven, dat deed ze altijd.
Ik wilde in haar armen liggen en van haar houden,
iets wat ik met de mensen niet kon.
Doch ik heb anders moeten leren;
de wind was niet om mee te spelen, zij was wispelturig en
haar adem was voor velen het graf.
Nu weet ik echter wiens adem enkel dood betekent,
ik weet weer wie niet betrouwbaar is. De mens
kan mijn hart niet stelen,
maar de wind blijft altijd van mij.