De zomer is best leuk. Jawel, dat weet ik wel hoor, lekker warm, mooi groen. Maar jullie moeten het niet zo overdrijven, want de zomer heeft ook nadelen.
Laten we beginnen met de zon. Ik heb een hele lichte huid. Nou hoor ik je al zeggen: ‘ik niet’, maar een beetje inlevingsvermogen tonen ten gunste van je medemens mag ook wel af en toe. Dankjewel. Een lichte huid dus. Ik word knettergek van het eindeloos factor 50 smeren. Een alternatief is het dragen van lichte kleding, maar lichte kleding is besmettelijk. Ik weet vrij zeker dat ik de eerste niet ben als ik over een paar weken weer de halve barbecue op mijn witte broek heb liggen.
Toch maar smeren dan. Maar dan komen we bij het volgende probleem, want als je blote benen hebt, mag je ze niet over elkaar doen. Dan krijg je namelijk rode vlekken rond je knieën en dat ziet er niet uit. Overigens, helaas vindt niet iedereen het erg als dingen er niet uit zien. Want in de zomer komt menig lelijk en/of onverzorgd lichaamsdeel ineens tevoorschijn piepen. Hangbuiken, ongeschoren benen, bah! En dan heb ik het nog niet gehad over mannen met sandalen. Daar krijg ik jeuk van. Maar het wordt nog erger. De jeuk wordt nog veel veel erger. Want met stip op nummer één staan de muggen.
Muggen ja. Ik háát muggen. Ik bedoel, wespen: irritant, mieren: irritanter, maar muggen spannen de kroon. Het is nu eind februari en wat denk je? EEN MUG IN HUIS. HELL NO! Waar komen die ellendelingen toch altijd vandaan? Die mislukkelingen der evolutie? Het enige wat ze kunnen is zoemen, steken en enge ziektes overbrengen. Ik word niet goed van het idee dat ik nog tot de herfst moet wachten tot ze weer weg zijn.
Maar er is hoop. Want de Maya’s hebben voorspeld dat het einde der tijden nabij is. Ja, vanaf december 2012 wordt alles beter. Vrede op aarde? Dat lijkt me stug, want we slaan elkaar toch liefst de hersens in. Nee, nu snap ik wat de bedoeling is, mag het zo zijn? Gaat de mug dan eindelijk uitsterven?
Als kind heb je geen besef van tijd. Alles duurt lang, vooral heel erg lang. Het was dan ook een behoorlijke teleurstelling toen ik er rond mijn zevende achter kwam dat carnaval maar drie dagen duurde. Want wat is er voor een kind mooier dan carnaval vieren? Je mooiste pakje aan en de hele dag met je vriendjes en vriendinnetjes door de kroeg rennen, en alles mocht, in tegenstelling tot andere dagen. Alle avonden frietjes en laat naar bed. Dat was minstens zo geweldig als jarig zijn.
Aan het begin van de puberteit werd carnaval anders. Een dipje, kan ik wel zeggen. In de brugklas moest je vooral stoer zijn, dus het was not done om in je prinsessenpakje naar het schoolfeest te gaan. Nee, je was alleen stoer als je als punker ging. En daar stonden we dan, op het bruggersfeest, met tweehonderdnegenennegentig punkers en één banaan. Vanaf die avond was de jongen in het bananenpak de enige écht stoere jongen op school.
Gelukkig ging dat domme gedoe snel voorbij. En als je dan ouder wordt begin je te snappen wat eigenlijk het idee achter deze dagen is. Want het is zo heerlijk om een paar dagen al je zorgen los te laten en samen met al die andere mensen te doen waar je zin in hebt. En het is waar: je vergeet alles als je die vrolijke muziek hoort, het is alleen maar levenslust wat je om je heen ziet. Waarom zou je dan nog aan je dagelijks leven denken? Eigenlijk wel erg lief van mij dat ik ondanks dat toch nog een berichtje voor jullie zit te schrijven.
Op grote stations heerst altijd een vrolijke drukte. Mensen. Mensen die lopen, mensen die sjouwen. Mensen die eten, in stationshallen ruikt het altijd naar eten. Mensen op roltrappen, mensen in treinen. Mensen met rare koffers, mensen die boeken lezen, mensen die de leukste verhalen vertellen en mensen die zich hullen in mooie kleuren. Mensen die ruzie maken met hun ov-chipkaart. Mensen die met lange gezichten op een kluitje bij de rookpaal staan, terwijl ze hun leven nog eventjes inkorten. Maar ook mensen die lachen. Mannen met bloemen, jongens die je stiekem nakijken en meiden met zulke leuke schoenen dat je bijna zou vragen waar ze die gekocht hebben. Soms een kat die geruisloos het spoor over sluipt.
Mensen die op hun horloge kijken, mensen die rennen om de trein te halen, met rammelende tassen of wapperende sjaals.
Alleen als je zelf je aansluiting wilt halen, dan lopen al die mensen maar in de weg.
Mijn vader bezit het merkwaardige talent om iedereen de stuipen op het lijf te jagen op momenten dat er niets aan de hand is. Plotseling roept hij dan “Wat is dat nou?” of iets van soortgelijke strekking, in ieder geval op een toon alsof de wereld zojuist vergaan is.
Over het algemeen zijn er dan twee mogelijkheden:
– Er is iets totaal onbenulligs gebeurd, hij is bijvoorbeeld zijn tandenstoker verloren;
– Hij heeft zich een scenario in zijn hersenen gehaald waar niets van waar is.
In het tweede is hij erg goed in de auto. Zo bezorgde hij ons eens de schrik van de dag, door na een hobbelig ritje van honderd kilometer over een Noors weggetje plots te beweren dat we verkeerd gereden waren. Je raadt het al: we zaten hartstikke goed.
Het gaat dus vooral mis als we over wegen moeten die we nog niet kennen. Eénmaal heeft hij het gepresteerd om ons op zo’n reisje te laten schrikken, nog voor we onze eigen oprit af waren. “Hè? Staat de pony van de buren aan de verkeerde kant van het hek?” Nou, de pony stond weliswaar dicht bij de afrastering, maar gewoon keurig in de wei. Niks aan de hand.
Later die rit begon hij weer eens een eigen plan te trekken met de routebeschrijving. Iets wat ook meer dan ééns fout gegaan is. Hij vroeg zich hardop af waarom wij altijd denken dat het niet klopt, wat hij zegt.
Nou, omdat we, als alles wel zou kloppen wat hij zegt, op dat moment waarschijnlijk nog steeds achter een loslopende pony aan het rennen waren geweest.
Ik ben tweeëntwintig. Mooie leeftijd? Ja, bestwel. Jong, en uiterst knap bovendien, wat wil je nog meer? Nou, dat zal ik eens uitleggen: ik wil van die ellendige puisten af. Het begon allemaal lieflijk – rond mijn vijftiende, zoals dat gaat – met van die schattige kabouterpukkeltjes. Dat was helaas niet van lange duur. Het werden er niet meer, maar ze werden wel dikker. Een soort vasteklantenvoordeel ofzo. Hier en nu heb ik dan ook regelmatig van die enorme vulkaanuitbarstingen in mijn gezicht. En het ergste is: ze zeggen dat het zo ongeveer tot je vijfentwintigste duurt. Waar moet dat heen? Totdat ik weer af begin te takelen loop ik dus rond met mijn voordeelabonnement.
Nu mag ik niet klagen, want de laatste maanden begon de lucht te klaren. Mijn paddenstoelenkin hield zich zomaar ineens redelijk koest. En die paar mee-eters op mijn voorhoofd, nou, daar doe ik het voor – als het maar niet zo verschrikkelijk rood wordt.
Voor rode vlekken heb ik overigens een zeer groot talent. Geef me een glas alcohol en drie minuten laten zit ik helemaal onder: mijn voorhoofd, hals, handen, armen, om maar niet te spreken van mijn wangen, die tegen die tijd paars zijn. Maar dat is een ander verhaal.
De puisten dus. Zomaar ineens weg. En toen werd het kerst. En sloeg de paniek toe, want dat ene zwarte puntje begon ineens in een bultje te veranderen. En als de paniek toeslaat, dan ga ik domme dingen doen. Knijpen bijvoorbeeld. Dat hielp niet – ik smeerde er alleen een kilo bacteriën in. En zo geschiedde: deze mee-eter ging ontsteken. Ten einde raad ging ik op eerste kerstdag verder. Ik porde, krabde, camoufleerde, prikte maar niets hielp. Het zat veel te diep; daar heb ik nou eenmaal mijn abonnement voor.
Zodoende breng ik mijn kerst door alsof ik geprobeerd heb mijn voorhoofd te braden in de koekenpan, in plaats van de rollade. Ik denk dat ik in een hoekje ga huilen.
Twee treinen later dan vorige week: ik ben er van overtuigd dat mij vandaag niks kan gebeuren.
Totdat ik me bedenk dat die kerel die zijn ogen niet van me af kan houden ook altijd op deze trein staat te wachten. Oh nee toch? Stel je voor.
Ik loop het perron op. Het is nog rustig. Maar nog geen tien seconden nadat ik mijn plek heb ingenomen – strategisch achter een betonnen paal – komt er een bekende gestalte de trap af. Natuurlijk heeft hij me allang gezien. Hij grijnst en ik kijk snel weg. Verschrikkelijk.
Uiteraard eindigt de voorste deur van de trein precies tussen ons in, waardoor ík geen keuze heb en híj gretig naar dezelfde deur loopt. Wat te doen? De trein blijkt honderd keer te leeg om in een druk hoekje te gaan zitten.
En zo zit hij voor ik het weet tegenover me. Ik kijk niet. Die geur van rook, gatverdamme. Laat ik duidelijk zijn: hoe lief een jongen ook is, als hij rookt hoeft hij niet bij mij aan te komen. Ik gruwel zodanig dat zijn geweldige opening pas laat tot me doordringt: ‘Heb ik jou niet eens in het Huygensgebouw gezien?’
‘Zou kunnen.’ Dan maar bot. Direct kijk ik weer naar buiten. Ja, natuurlijk heb je me daar gezien. Dat weet je best.
Zo snel geeft hij uiteraard niet op. Ik ben ook veel te aardig. Het gaat hem allemaal geen moer aan, maar zo onbeleefd kán ik gewoon niet zijn. Dus vind ik mezelf midden in een trein, dingen vertellend die ik helemaal niet zeggen wil, terwijl iedereen meeluistert en – al dan niet hardop – denkt: wat is dat voor doos, zeg gewoon tegen die engerd dat hij zijn kop moet houden en loop weg. Wat een afgang.
Stel je voor. Ik liep het perron op en wachtte af. Er gebeurde niets.
Dat wil zeggen: hij was er wel, maar durfde gelukkig weer niet.
Als ik het perron op loop zie ik een bekend gezicht. Direct daarop besef ik dat het dat rare meisje is dat zich totaal niet weet te kleden. Ik heb wel eens met haar in college gezeten. Haar naam ken ik niet eens en ik besteed er geen aandacht aan; ik loop achter haar langs en kijk of de trein in de verte al te zien is.
Op dat moment hoor ik naast me: “hoi!” Ik kijk om en kijk recht in het gezicht van degene die ik zojuist voorbijgelopen ben. Waarom…? Ze moppert iets over de trein die vast weer niet op tijd zal zijn. Ik houd niet van mensen die klagen dat de trein altijd te laat is, aangezien dat stomweg niet waar is.
Vanaf dan beland ik in een totaal waardeloos gesprek over behangplak, bioinformatica en boterhammen met stroop, ofzoiets. In de trein gaat het verder. Na een lange dag, week zelfs, heb ik er de puf stomweg niet meer voor. Over haar schoenen beginnen lijkt me een slecht plan, en uiteindelijk wordt het stil. Ze pakt een boek.
In Vierlingsbeek probeer ik nog aardig te zijn en doei te zeggen. Ze kijkt niet op of om.
Oké, dan niet. Volgende week maar weer een trein later.
Aansluiting alweer gemist, en zodoende alweer een half uur van uw leven aan uw neus voorbij gegaan?
Neem dan de volgende keer gerust uw tandenborstel mee, zodat u vast uw tanden kunt poetsen. Of schoenpoets. Of de hele afwas, de stofzuiger, uw douche, waarom ook niet?
De weken waarin ik mijn weblog niet kon gebruiken hebben me iets geleerd. In de maanden vóór de migratie was ik aan het twijfelen geslagen. Om me heen veel bloggers die hun blog langzaamaan verwaarloosden of gewoon ineens spoorloos verdwenen waren. Ik begon me af te vragen of ik nog wel aan het bloggen was omdat ik het leuk vond, of omdat ik mezelf ertoe dwong mijn blog bij te houden. Voor mij geldt: je blogt regelmatig of je blogt niet. Maar wilde ik het eigenlijk nog wel, regelmatig bloggen?
Het antwoord bleek ja te zijn. In de tijd dat ik offline was bleven de ideeën voor nieuwe verhalen komen, zonder dat ik mezelf dwong erover na te denken. Ze waren er gewoon en ik voelde ineens weer hoe het was, toen ik vijf jaar geleden begon met schrijven maar geen blog had. Het voelde alsof ik al mijn gedichten net zo goed weer kon vergeten, als ik ze geen plekje in het openbaar kon geven.
Zeven weken heb ik geduld gehad, maar er wel naar verlangd eindelijk weer iets te kunnen posten. Ik wil blijven delen.