Twee seinpalen liggen doodstil in de berm. Auto’s hobbelen voorbij en treinen razen, maar zij doen niets meer. Ze liggen daar maar, en niemand weet waarom.
De anders zo machtige silhouetten, zwart en statig langs de rails, geveld. Hun ladders krom.
Vol van prachtige verhalen, maar ze hebben geen mond.
Dus het komen en gaan van de seizoenen, van locs, wagons en boemels, het verdwijnt in de tijd en verstomt.
Ik turf de dagen waarop hij bij me is. Vijfhonderdvierentwintig, vijfhonderdvijfentwintig.
Het mogen er wel dertigduizend worden. Maar je weet maar nooit. Soms ben ik bang, als hij weg is, dat er iets gebeurt en hij nooit meer terugkomt.
Dus elke dag is er één.
En als hij er weer is en ik in zijn donkere ogen kijk, voor de zoveelste keer de kriebels krijg, dan weet ik nog iets zekerder dat hij voor altijd blijven mag.
Het was een koude nacht,
Het zonlicht nog witgeel
en ik beleef weer in een roes
hoe ik het voor het eerst zoiets zag.
Een mysterieus geheel,
een winterwonder op een lentedag.
Het jonge groen en de rijke bloesem,
gevangen in een koninklijk tafereel.
Pegels aan elke knoest,
bomen als sculpturen in het landschap:
een levend ijskasteel.
Een buizerd vliegt vlak voor me langs en landt op een tak hoog naast het fietspad. Hij ziet er prachtig uit in de zon, met zijn bruin-witte verendek. “Hoi knapperd!” zeg ik tegen hem in het voorbijgaan. Hij kijkt me argwanend aan en draait zijn kop met me mee, maar geeft geen kik.
Ik fiets verder en schiet in de lach. Ik heb nog nooit met een onbekende man durven flirten, maar een buizerd is blijkbaar geen punt. Ik flap het eruit voor ik er erg in heb. Gelukkig zit mijn knapperd thuis op de bank. En die buizerd, ach, die is het vast zo weer vergeten.
De laatste jaren heb ik veel te weinig naar mijn eigen muziek geluisterd. Het kwam er gewoon niet van, en na een tijdje vergat ik zelfs dat het een mogelijkheid was.
Toen ik vorige week die goede oude playlist weer eens aanzette omdat ik me zat te ergeren aan de stofzuiger van de buren, vond ik een stukje van mezelf terug. Liedjes waarvan ik het bestaan was vergeten en die desondanks zo mooi zijn. Anders van Bløf, bijvoorbeeld. Ineens vond ik mezelf weer zingend in de huiskamer en kwamen allerlei zinnen en herinneringen terug waarvan ik niet wist dat ik ze nog ergens had.
Zoals Jack Poels het meemaakte: “Mijn moeder had een afasie, en die kon eigenlijk alleen nog maar stamelen. En toen speelde ik het liedje De Peel in brand, en ineens kwamen al die woorden weer terug.”
Dat is een treffend voorbeeld. Muziek brengt dingen terug. En je hoeft niet te wachten tot je ziek wordt.
Je zou zeggen: iemand die tijdelijk werkloos is heeft tijd zat om te bloggen. Dat dacht ik zelf ook. Maar zo werkt het blijkbaar helemaal niet, getuige het complete gebrek aan regelmaat op mijn weblog.
Laat ik even uitleggen hoe dat zit. Als je weet dat je van de ene naar de andere baan gaat, en daartussen een paar weken tijd voor jezelf wilt nemen, ga je dingen uitstellen. En die twintigduizend dingen die ik in de afgelopen maanden heb uitgesteld komen nu allemaal op mijn bordje. Zo veel dingen die ik moet of wil doen, dat mijn hoofd overvol is en ik er niet eens aan denk dat ik een weblog heb – of in ieder geval niet op de juiste momenten. Zo veel minder overzichtelijk dan gewoon overdag werken en ’s avonds tijd om iets te schrijven.
Maar ik beloof dat ik mijn best zal doen om toch met regelmaat iets online te zetten!
En zo zijn de verkiezingen al weer lang voorbij en zitten we in het formatieproces. Erg blij ben ik niet met de uitslag, maar het stemt me wel positief dat de partijen met een progressief klimaatprogramma flink zijn gegroeid.
Nu is er echter nog één ding dat me dwarszit. GroenLinks heeft het hoogste percentage vrouwen binnen zijn kiezers, en de VVD het hoogste percentage mannen. Dat verbaast me niets, en vind ik allemaal prima, maar wat ik niet zo prima vind is de manier waarop de media daar mee om gaan. De NOS: “Vrouwen houden van Klaver”. Algemeen Dagblad: “Vrouwen vallen voor Jesse, mannen gaan voor Mark”. Zie je het verschil tussen de twee delen van die laatste kop? Vrouwen worden zomaar ineens afgeschilderd als hormoonbommen die voor een politiek leider zwichten in plaats van een partijprogramma. Alsof je dat op basis van de cijfers zou kunnen concluderen. Ik heb geen enkele vrouw horen zeggen dat Jesse Klaver knap of leuk is. Daarentegen heb ik wel mannen gehoord over het uiterlijk van Marianne Thieme. Dus áls er al hormoonbommen zijn, dan zou ik het vrouwelijke gedeelte van de bevolking niet als eerste aanwijzen.
Nou probeer ik niet de feministe uit te hangen, maar ik vind het gewoon irritant dat dit soort dingen zo subjectief gebracht worden. Ik hoorde al iemand zeggen: “Blijkbaar doe je als man iets fout als je op GroenLinks stemt”. Als dat de conclusie is die mensen gaan trekken, is het einde zoek. Ik wil er graag even op wijzen dat we die stelling ook om zouden kunnen draaien ten nadele van de VVD. Maar laten we dat niet doen, laten we allemaal onze eigen politieke voorkeur uitdrukken zonder te kijken naar stereotypen. Er zijn al genoeg verschillen, bijvoorbeeld tussen mannen die zakelijk zouden moeten zijn en vrouwen waarvan veel meer menslievendheid wordt verwacht. Is dat niet precies wat de verschillen tussen mannelijk en vrouwelijk kiesgedrag veroorzaakt? Laten we proberen dat los te laten, want als we allemaal in stereotypen blijven denken, worden ongelijkheden alleen maar groter.
Er klinkt gebonk op zolder. Ik zet mijn gedachten even op nul, stop met schrijven. Dat heeft zo toch geen zin.
Ik sluit mijn ogen. Het is een beetje als vroeger, mijn vader die ergens in het huis aan het klussen was. Dan was je alleen, maar toch ook weer niet. Het begin van een knus zaterdaggevoel: voor het eten in bad en daarna in de badjas op de bank, natte haren, met zijn allen naar de televisie kijken.
Hoe afgeleid worden soms ook wel even fijn kan zijn. Ik heb geen flauw idee wie er boven mij bezig is. Wel weet ik dat het niet mijn vader is. Maar in ieder geval timmert er iemand aan de weg, en dat is goed.
De kastelein heeft een grijns op zijn gezicht die wel vastgeroest lijkt. Zijn tanden zijn van de sigarettenrook net zo grijs als zijn lange haar.
Hij is wat gewend. Iedereen die hem in de weg loopt duwt hij simpelweg aan de kant met diezelfde grijns. En toch ziet deze ruimte er niet uit alsof het er vaak vol is. De weinige tafeltjes en versleten inrichting verraden al dat het geen vetpot is om buiten het stadscentrum een kroeg te hebben.
Maar er blijven alleen maar mensen weg als je achter de tap staat te grienen. Dus moet je als kastelein altijd blijven lachen. Lachen en gewoon doorgaan.