Duimen
10 maart
Geen salaris, geen uitkering, fiets kapot, laptop kapot… Ik hoop dat ik geluk aan het opsparen ben voor de sollicitatie op die ene o zo leuke baan.
10 maart
Geen salaris, geen uitkering, fiets kapot, laptop kapot… Ik hoop dat ik geluk aan het opsparen ben voor de sollicitatie op die ene o zo leuke baan.
Ik ben er echt een beetje klaar mee. Ik werk me compleet achterstevoren om mijn proefschrift op tijd af te krijgen, en wat is mijn dank? Een half salaris, waardoor ik voor de rest van de tijd een uitkering aan moet vragen, en een bonus die me voorgespiegeld wordt maar uiteindelijk toch afgepakt.
En dat geld waar ik recht op heb krijg ik door alle gedoe niet zonder er eerst veertien keer achteraan te moeten gaan bij personeelszaken, de overheid en wie je maar kunt bedenken. Of dan nog steeds niet – in het geval van die bonus – omdat de regeltjes weer zo nodig boven de realiteitszin moeten staan. Alsof ik thuis uit mijn neus zit te eten en niks beters te doen heb dan het constant corrigeren van die lui die het moeten regelen, terwijl je mijlenver van tevoren al ziet aankomen dat het nooit goed gaat door de manier waarop je iets in moet vullen.
En al die mensen die het niet voor elkaar krijgen dat er tijdig geld op mijn rekening wordt gestort ontvangen zelf wel een salaris, terwijl ik nog maar eens zit te ploeteren voor nul waardering. Misschien moet ik hun werkgever eens vertellen dat ik het beter zou doen, ik wil namelijk ook graag een inkomen.
Carnaval vieren lucht op. Even niks aan je hoofd en dansen tot je voeten zeer doen. En de dag daarna weer. Dat is alles, geen dubbele agenda’s. Een mens heeft het soms gewoon nodig.
Het bos is verlaten, maar niet stil. De bomen janken in de wind. Met mij mee, want ik ben al even in de steek gelaten door alles en iedereen.
Alles roert zich door mijn hoofd. Evenmin als de zwiepende takken begrijp ik wat er gebeurt, maar het is duidelijk dat het zwaar en groots is. Waar zijn degenen die ik vertrouwde? Ze laten het afweten, ze waren het niet waard.
Wat je ook zegt, wie het niet geloven wil zal het nooit geloven. Daarom houd ik van de bomen. Ze buigen zich over me zonder oordeel. En als het knapt, knapt het. Niemand die een boom wat verwijt.
Desondanks zweer ik dat ik er niets aan kon doen.
Het donker trekt op en de vogels beginnen voorzichtig weer te fluiten. Eerst de lijster, en dan volgen de mussen. Het is een gezellige boel.
Ik sta op en buig wat takken aan de kant om dichter bij het water te komen. Met mijn blote voeten stap ik op het mos langs de kant. Het water dat tussen mijn tenen kruipt is koud, ijskoud nog. Maar de vogels en de krokusjes beloven me dat het niet lang meer zal duren. Ik ga terug en begraaf mijn benen weer tussen de lauwe herfstbladeren, wacht geduldig tot ik me aan de goudgele zon weer kan warmen.
De lucht is zacht. Het is nog een beetje licht. Misschien is het daarom dat het felrode lichtgevende bord in de verte me ineens opvalt in de drukte van de avondspits.
Een rond Coca-Colabord. Het lonkt me. Laat ik voorop stellen: ik geef niet om cola. Maar mijn hersenen hebben al voor me besloten dat het een heel gezellige cafetaria is, daar in die zijstraat. Waar het heerlijk naar friet ruikt. En ik heb honger. Hoewel ik heel goed weet dat ik altijd een beetje spijt heb als ik zo’n goedkope hap op heb, is het toch altijd speciaal op een bepaalde manier. Omdat het vroeger zo leuk was, denk ik. Veelal de afsluiting van een dagje uit, waar kun je een kind nou blijer mee maken dan een dagje uit en frietjes bovendien? Ik denk aan al die keren die ik me kan herinneren.
Ik sla linksaf. De cafetaria uit het zicht, maar een goed gevoel rijker.
De warmte stijgt naar mijn hoofd en mijn armen en benen worden slap. Zo gaat het nou altijd. Een mond vol tanden.
Een pijnlijke stilte volgt.
Ik wil zo graag iets zeggen, maar ik weet zo snel echt niet meer waar ik moet beginnen met denken. Het gevoel dat zich dan razendsnel van je meester maakt en er voor zorgt dat je brein helemaal blokkeert. Heb ik weer. Ik ben altijd degene die voor joker staat…
Een diepgewortelde gedachte. Ik wil het niet, en juist daarom gebeurt het.
Ik schud mezelf wakker uit mijn visioen en probeer me weer te concentreren op wat ik zie gebeuren. Maar het is moeilijk. Mezelf geruststellen heeft geen zin, want vandaag hoef ik dan alleen achterover te leunen en van een afstand toe te kijken, over een tijdje sta ík daar. En elke keer dat ik hier zit, komt het weer een stapje dichterbij. Beter blijf ik voorlopig van deze plek vandaan, want ik word er alleen maar zenuwachtig van. Nu al.
Waarom was ik ook alweer aan een promotie begonnen?
Ik wist niet dat je zo ziek kon worden van een simpele verkoudheid. Mijn snot had minstens drie kleuren van de regenboog. Met pijnstillers viel er niks tegen de keelontsteking te beginnen. Ik heb mijn ribben bont en blauw gehoest, dag en nacht, de Elfstedentocht schaatsen is er niets bij.
Vandaar de onverwachte blogpauze. Het zal de proefschriftstress wel zijn die er voor gezorgd heeft dat een stom virusje vrij spel had. Behalve een blogpauze had ik ook een fiets- en stofzuigpauze – mijn ov-chipkaart heeft overuren gedraaid en mijn kamer zag eruit als een ontplofte apotheek – maar een proefschriftpauze was er niet bij. Met bloeddoorlopen ogen heb ik uren naar een beeldscherm zitten staren. Maar niet getreurd, nu ben ik weer bijna beter en mijn proefschrift is bijna af. Er loopt alleen nog af en toe een traan over mijn wang omdat mijn oog heeft besloten overtollig traanvocht te gaan produceren. Nee, wacht, ik bedoel natuurlijk: omdat ik jullie zo mis.
Station Deventer, voor de weet-ik-hoeveelste keer. Zo vaak stond ik hier en keek ik hoe de trein in de verte verdween. Al zo’n eind van huis, en dan ging die trein nog verder. Over de rails in het donker recht het onbekende in.
En nu is het al de zoveelste keer dat ik in die trein blijf zitten, zelf voor mijn gevoel van de wereldkaart verdwijn. De trein maakt zich gelukkig geen zorgen en rijdt rustig door.
Voor de weet-ik-hoeveelste keer, maar voor mij is het de laatste keer. Want de afteller is bijna klaar.