Als je bij me bent vergeet ik alles om me heen.
Mijn werk, mijn weblog, leuke dingen op tv,
dat ik moet poetsen of moet letten op het weer
zelfs mijn telefoon en het geeft niet eens.
Want ik heb niks nodig zolang je naast me staat
en voor me zorgt als het even niet meer gaat.
Maar als je weer vertrekt, dan ben ik weer alleen
met alle zooi, vooral die in mijn kop van steen.
Ik kijk omhoog. Daar waar niets is, bijna niets. De blauwe hemel, de sterren, niets dat zich zorgen hoeft te maken op zijn minst, een enkel vliegtuig daar gelaten.
Was het maar af en toe zo leeg in mijn hoofd. Gewoon niets. Geen angst, geen pijn, geen zorgen. Zoals vroeger.
Ik kijk en ik kijk. Zolang je naar boven kijkt hoeft er niet veel. Zolang je naar boven kijkt valt het allemaal wel mee. Misschien gaat het wel regenen en spoelen mijn zorgen naar de zee.
“Merge wuurd ’t beter, dan is alles vurbeej,
merge oavend lachte teage meej.
Pas op wat ik ow zeg, merge zien ow troane weg.
d’r is d’r mar iene en dat ziedde geej.”
Jack heeft bijna altijd gelijk. Maar niet helemaal. Hoe vaak heb ik nu al gedacht, of misschien moet ik zeggen gehoopt dat het morgen beter zou worden? Honderden dagen achtereen. Maar het gaat zo langzaam. Zo verschrikkelijk langzaam. En de tranen zijn er nog steeds veel te vaak, springen in mijn ogen bij het horen van deze tekst. Hoe lang moet ik dit nog volhouden? Waar is het einde, komt er ooit een einde?
“Denk mar neet teveul an wat koome giet,
denk mar neet teveul an wat is gewest.
Dut mar rustig aan, geej het nog al d’n tied.
Dan goan weej same, same lukt dat best.”
Ik doe zo mijn best. Maar het verdriet heeft zich meester van me gemaakt. De woede over wat er is gebeurd, de woede op hem, de woede op de wereld. Ik wil dit niet, ik wil niet dat het leven zo is.
Ik zou willen dat hij me zou troosten, ik zou willen dat hij me de tijd zou geven.
Ik zou willen dat hij me de tijd terug kon geven.
(Fragmenten: Jack Poels – Station America, Rowwen Hèze, 1993)
Zondag in ’t zuiden, vur de kerk op ’t plein. Ik had een foto moeten maken van dat aanzicht, maar dat kon niet, want ik had mijn telefoon voor de zekerheid maar thuis gelaten. Aan de andere kant had ik de huisfotograaf toch niet kunnen overtreffen, zelfs al is de kerktoren nauwelijks te zien op zijn foto:
Eindelijk een thuiswedstrijd, zelfs al woon ik er niet meer. Vierlingsbeek blijft toch altijd mijn dorp. En dat allemaal onder de blauwe hemel die langzaam zwart wordt, blote benen, blote buik. De rug recht, het Rowwen Hèze-shirt fier om mijn schouders. Want iedereen die me kent mag het weten: ja, op de basisschool was ik al die (knettergekke) Rowwen Hèze-fan, hoe misplaatst het ook leek voor zo’n introvert meisje, en nu ben ik dat nog steeds. En ik geniet :)
r waren eens twee zusters, Naomi en Esra genaamd, die zich dag in, dag uit stierlijk zaten te vervelen. Want in hun saaie dorpje in de Brabantse Peel viel maar weinig te beleven. Zij verlangden zo naar spanning, naar oude tijden die herleven. Nieuwsgierig naar puffende lange treinen die aan de horizon verdwijnen, en naar het harde, vieze werk van de mannen in de mijnen. Grote machines en roestige wagens, fabriekshallen met hoge ramen, de hemel bruin van schoorsteenadem. Of de mensen op de heide in hun kleine huizen, zonder kranen of fornuizen. Dat wilden ze zo graag eens zien.
Dus gingen zij de Peel in, op zoek naar avontuur. Naar dwaallichten en dwergen en oude hutten en gebouwen. Zo zwierven zij over de gevaarlijk smalle paden waar turfstekers vroeger met hun wagens sjouwden. En jawel, tegen het middaguur zagen zij ineens een houten hut tussen de bomen. Zij openden de scheef hangende deur en dachten even dat ze droomden: achterin de stoffige ruimte scheen een klein maar fel wit licht. Toch schrokken ze niet van dat spookachtige aangezicht. Het was de nieuwsgierigheid die overwon en dus kwamen zij nader. Verwonderd door de touwen en katrollen zagen ze niets van het luik dat zij betraden.
En toen, ineens, doofde het geheimzinnig licht. Een metalen poort schoof voor de uitgang dicht, en de wielen begonnen te draaien. Het hout onder hun voeten piepte, kraakte… en viel naar beneden met duizelingwekkende vaart, om met een doffe dreun tot stilstand te komen in het duister van de aarde. De kabels van de lift gebroken, de zusters hadden geen idee hoe zij ooit weer boven moesten komen. Toch stapten zij de donkere mijngang in vol goede moed, en daar, verderop scheen een lichtje, zagen zij dat goed? Behoedzaam kwamen ze telkens naderbij en steeds verder in de verlaten mijn dwaalden zij, door lange gangen, toch waren zij niet bang. Evenmin als plots het lichtje was verdwenen en het elders weer verscheen. Tot ineens het laatste licht zich doofde, het werd als de nacht zo donker en koud als steen. En langzaam kropen witte flarden uit de klei en uit de rotsen, zo helder alsof zij waren verlicht. De zusters werden door de mist omhuld, die als tentakels om hen krulde. Zij zagen iets wat leek op een gezicht, en toen hoorden ze het heel zacht in het duister: spookachtig gefluister…
“Lieve kinderen van de Peelsche gronden
kijkt toch uit dat jullie je niet verwonden!
Wie zich tot in het duister laat verleiden
komt gewoonlijk tegen de Witte Wieven strijden.
Maar geen simpele sterveling is bij machte
om te winnen van de aardse krachten.
Ach kinderen, betreedt toch niet dat pad,
wij zijn die mensen meer dan zat.
Het is gespuis, enkel en alleen op geld belust,
maar dat soort vindt hier geen rust.
Eenieder die in de bodem wil graven
zal zijn dorst met zijn bloed moeten laven.
En toch, onze wraak lijkt niet te werken
dus kunnen wij ons niet langer beperken.
Nu die ellendige stakkers het graven niet staken
zullen wij meer menselijke offers moeten maken!
Maar jullie, kinderen, onschuldig en mans
jullie verdienen wellicht nog een kans.
Alleen als jullie aan ons je trouw beloven
zullen wij in de goedheid van de mensen geloven.
Gaat daarom langs de weg die wij je wijzen
voordat onze krachten uit de bodem zullen rijzen!”
En reeds werden de twee zusters verblind door het felle daglicht in hun ogen. De Witte Wieven hadden over hun krachten niet gelogen. Want zonder nog een stap te zetten stonden de zusters weer buiten in het veen, en was de mijnschacht zonder enig spoor verdwenen. Dat was het moment waarop zij beseften hoe belangrijk de wil van de Witte Wieven was. En dat een grote taak moest worden volbracht, om onschuldige mensen van een vloek te redden. Dus volgden de twee uitverkorenen het spoor van mist dat lag over de velden. Zij liepen dagen en dagen zonder te rusten, omdat het gefluister van de Witte Wieven hen steeds weer wakker kuste. Zo werden zij naar een oude mijnschacht geleid, en wat er gebeurde laat zich raden: de Witte Wieven hadden weer gemorreld met de touwen en de draden. Dus stortten de zusters voor de tweede maal in de diepte waar de Witte Wieven wispelturig vroegen of zij soms ook kwamen graven, of ze wel te vertrouwen waren. Als antwoord staken de zusters hun lege, onschuldige handen omhoog, om te laten zien dat niet ieder mens de aarde berooft. En blijkbaar waren de Witte Wieven tevreden, want meteen stonden de zusters weer onder de blauwe hemel.
En bij elke mijn die zij in de Lage Landen vinden gaan zij nog steeds op avontuur, de twee durfallen, om met een rotgang door de grauwe schachten naar beneden te vallen. En de Witte Wieven die hen daar kil begroeten fluisteren keer op keer met schelle stem naar welke plek de zusters reizen moeten. Dat het nog niet gedaan is met hun roeping, dat ze op moeten schieten voordat de Witte Wieven naar de mensen komen zoeken. Steeds opnieuw worden er met duistere krachten nieuwe schachten uit de grond gestampt. En dus trekken de gezusters, die zich nooit meer hoeven te vervelen, voor eeuwig door het hele land. Geen tijd te verliezen, laat deze zusters als eerste Baron 1898 betreden, want alleen dan zal het peelvolk nog lang en gelukkig kunnen leven…
Dit sprookje schreven Naomi en ik om een ritje in Baron 1898 te winnen, de nieuwe achtbaan in de Efteling die morgen open gaat. Helaas hebben we niet gewonnen… :(
Het jaar waarin ik volwassen werd. Ik begon met mijn eerste echte baan, haalde mijn rijbewijs, kreeg voor het eerst verkering en bereidde me voor om op mezelf te gaan wonen.
Het jaar waarin alles veranderde. Ik was nooit bijgelovig, maar dertien heeft alles op zijn kop gezet. En niet in positieve zin. Sindsdien kan ik mijn draai niet vinden, lijkt gelukkig zijn me niet meer gegund. Sinds 2013 heb ik verdriet over wat nooit had mogen gebeuren, over wat ik niet verdiend heb, over hetgene dat mijn toekomstbeeld in één klap van tafel veegde, aan gruzelementen sloeg.
Hij had gelijk toen ik tegen hem zei dat ik ook niet wist hoe het zo lang pijn kon blijven doen.
“Ik denk dat ik het wel weet. Omdat je iets heel moois kapot zag gaan?”
Ik barstte in huilen uit bij die woorden.
Eindeloos heb ik pogingen gedaan om de stukken weer bij elkaar te zoeken. Maar tevergeefs. De hoop verloren, de grip verloren. Het vrolijke meisje is spoorloos verdwenen, wat overbleef is teleurstelling in het leven. En alles herinnert me aan die pijn.
Ik heb geen idee wat ik na anderhalf jaar vechten nog moet proberen.
Ik wil alleen maar bij je zijn.
Weg van de wereld, weg van de pijn,
even weg van al dat leed.
Maar juist pijn dat ben jij,
pijn is wat jíj deed.
Kon ik nog maar vluchten in je armen,
ging dit gevoel toch eens voorbij.
Maar niemand kan mij nog verwarmen
nu ik van de kilte weet.
De buschauffeur zat te zingen. Ik zag het in zijn spiegels: zijn mond bewoog mee met het geluid van de radio. Het was niet te horen boven het gebrom van de bus uit, of misschien maakte de chauffeur ook wel helemaal geen geluid, maar hoe dan ook werd ik er vrolijk van.
Waarom zingen we niet wat vaker? Het hoeft niet hard of mooi te zijn, dat kunnen we wel bewaren voor onder de douche of op het podium. Maar gewoon, een beetje neuriën, mompelen, met de radio mee of op de fiets, laat maar zien dat je lekker in je vel zit. Zelfs al beweegt alleen je mond. Als we maar allemaal een beetje mee kunnen delen van die vrolijkheid :)
Ik kan er gewoon niet tegen. Geheimen hebben dus. Hoe kan je nou trots zijn op je leven als er dingen spelen die je niet kan vertellen? Dat is ook precies de reden dat ik enkele weken geleden geblogd heb over hoe verraden ik me voel in mijn relatie. Liever dat anderen zich afvragen waarom ik in godsnaam doorga met zo’n slappeling, dan dat ik het gevoel heb dat iedereen denkt dat alles op rolletjes gaat in mijn leven terwijl dat niet zo is.
Natuurlijk heb ik ook wel eens dingen gedaan die ik niet hoog van de toren blaas. Dat ik als kind ooit pontificaal tegen een geparkeerd staande auto aangefietst ben omdat ik totaal in mijn gedachtewereld verzonken was, daar schaam ik me best een beetje voor. Maar het is ook wel aandoenlijk, denk ik, en die persoon die de wereld in gedachten romantiseert ben ik nou eenmaal. Dus heb ik me er maar bij neergelegd.
Ik heb nooit iemand bedrogen. Ik heb nooit iemand bestolen. Ik houd me aan mijn beloftes. Ik heb nooit stiekem gerookt (ook niet niet-stiekem). Ik heb niets gedaan waar ik me schuldig over voel, want ik heb altijd gehandeld naar eer en geweten. Omdat ik een eerlijke, respectvolle en geloofwaardige persoon wil zijn. Dus zorg ik dat ik geen geheimen heb.
En ik ben vast niet de enige, maar ik zou willen dat meer mensen dat deden.