Dit bos ligt vol met herinneringen. Vol met gedachten. Vol met verdriet. Hoe vaak fietste ik hier wel niet, verzonken.
Maar stiekem is dit bos gewoon een bos als ieder ander. Ik kijk om me heen, naar het frisse groen, dorre bladeren op de grond. De geur van mos waait in mijn gezicht. Vogels fluiten. Een nestje. Beuken, berken, elfenbankjes en de bloemetjes in de berm.
Het bos is misschien niet de allermooiste plek die ik zou kunnen verzinnen, maar ik houd van dit vergezicht, het langgerekte fietspad onder de zonnestralen. Ik kan er elke dag naar toe. Ik kan er doorheen als ik naar mijn werk ga, en weer terug, het is niet eens om. De natuur horen, zien, ruiken. Mezelf zijn.
Alweer lang geleden droomde ik over het litteken dat ik kreeg. En hoe ik aan het gevaar ontkomen kon. Dus ik wist dat ik veilig was. Maar wie was die Aziaat, die Saddam, wie was het die zijn boosheid botvierde op een onschuldig mens?
Jij was het. Jij was het die mijn lichaam met je teleurstelling vergiftigde. Maar mijn lijf is sterker dan dat kruit.
Er zijn veel teleurgestelde mensen, en zij krenken weer een ander. Zo houden ze de pijn in stand. Maar ik niet. En jij nu ook niet meer. En zo wordt de wereld, heel langzaam, toch een beetje beter misschien.
Een merel in het berkenbos.
Gitzwart en scheef op een tak
met zijn oranje snuit.
De jonge groene blaadjes
doorzichtig in de avondzon,
witte schors, de hemel blauw,
even dacht ik niet aan jou.
De merel wist dat ik hem zag
en hij keek me vragend aan.
Alsof zijn schuine kop me zei
dat ik best genieten mag.
De mueslibollen zijn op. Ik kijk peinzend naar het rek. Dan moet ik iets anders kopen. Niet de krentenbollen. Krentenbrood?
Dan valt mijn oog op het mueslibrood. Een zee van verdriet golft vanuit mijn maag naar mijn hoofd. In één klap zie ik alles weer voor me. Hoe het fout ging. Het mueslibrood waarvoor ik speciaal naar de supermarkt was gefietst, ruim anderhalf jaar geleden, maar in mijn geheugen gegrift. Ik wilde de volgende ochtend trakteren op mijn werk. Maar diezelfde nacht ging het mis, helemaal mis. De duivel, hij had me de verdoemenis in gepraat. Ik knakte. Ik weet nog precies hoe het mueslibrood die ochtend smaakte – een beetje margarine erop – toen ik het zelf maar at, voordat ik met roodbehuilde ogen naar de huisarts ging.
Zonder aarzelen koop ik zo’n brood. Nieuwe associaties maken werkt het best.
De pijn vergeten. Het is een meerjarenplan geworden.
Hoe kan het toch dat het leven mij zo verraden heeft? Ik dacht altijd dat mensen die echt om elkaar geven elkaar trouw blijven. Uit liefde. Uit respect voor de ander. Uit desinteresse voor elke buitenstaander. Uit trots!
Waar zou ik nog trots op moeten zijn? Wie moet ik nog vertrouwen?
Ik weet waar de duivel woont. Ik kan niet met, ik kan niet zonder.
Ik sta op, doe de gordijnen open en kijk de lente recht in de ogen. Het is al licht, de vogels fluiten, de blauwe lucht en de zon op de muur.
De pijn van een jaar geleden. Hoe ik de hoop op een vertrouwensband had opgegeven, de angst, het zeurderige gevoel in mijn maag, dag in, dag uit.
Waar ben je? Kom hier, dat ik je een knuffel geef, en dat we samen huilen om wat is geweest, zodat we het eindelijk achter kunnen laten. Hand in hand de nieuwe lente in, de toekomst in, kijk maar eens hoe mooi het zonlicht is.
De zomer en de winter hebben allebei hun nadelen.
Dat is iets wat ik me meestal in de lente realiseer. Als iedereen – ook ik – naar wat warmte snakt en zin heeft in terrasjesweer, de zon eindelijk wat warmer wordt, dan begint het altijd. De nadelen van de zomer zijn weliswaar geen van allen erg groot, maar het zijn er zo véél. En ze komen zo plotseling en ongevraagd je zin in de zomer klieren.
Dat je geen muts op hebt als het begint te regenen. De kinderen van de buren die herrie maken in de tuin. Het asfalt dat ieder jaar wel slechter lijkt, en waar mijn knieën aan onderdoor gaan als ik erop probeer te skeeleren. De blaren van het lopen op pumps of teenslippers. Het dichtslaan van de deuren als je alles open hebt. Zweten op de fiets. Het stinken van de kliko. Dat je geen blote benen mag op het lab. Teennagels lakken, en dat ze dan geel zijn als je het er weer af haalt. Het onkruid in de tuin. Verbranden. Muggen, wespen, mieren, rupsen. Dat het te warm is om te kunnen slapen. Mijn putjesdijen, waarvan ik me steeds afvraag of ik ze nog wel in zo’n leuk kort broekje mag steken. En dan al die andere mensen die lichaamsdelen tevoorschijn toveren die ze beter bedekt kunnen houden. Dat is misschien nog wel het ergste. Mijn dijen zijn er niets bij.
Als het weer winter wordt verdwijnen al die dingen onopgemerkt. De kou en het donker sluipen langzaam maar zeker het land in en ik ga eenvoudigweg mee met die flow. Totdat ik de kou beu ben. En het geel bijna helemaal uit mijn teennagels is gegroeid. Dan begint het weer opnieuw.
Het leven kan mooi zijn. Maar ook lelijk. Ik ken beide kanten. En het gekke is, dat het feitelijk gezien niet eens anders hoeft te zijn. Mooi of lelijk, goed of slecht, het is een oordeel. Het zit in je hoofd, of je nu wilt of niet.
Hoe kan dat toch, dat dat zo’n verschil kan maken? Ooit leerde ik dat dat te maken heeft met stofjes in de hersenen, neurotransmitters, waarvan je er te weinig hebt als je je somber voelt. Of dat zelfs het netwerk in je hoofd aan flarden ligt. Slechte verbindingen tussen je hersencellen zorgen er gek genoeg voor dat je nog wel nadenkt, maar niet meer positief.
Maar ik kan niet in mijn hoofd kijken. Voor mij voelt somber helemaal niet als te weinig stofjes in mijn hersenen, het voelt niet als een mankement aan mijn lijf, het voelt als iets groots en echts en engs. Iets voor altijd. Hoe het leven ooit weer blij moet zijn weet je dan niet.
En andersom. Daartussen ligt een lijn. Je moet er overheen. Maar als je aan de goede kant van de lijn zit juist niet. Hij kan op de gekste plekken liggen, die lijn, maar vooral kom je hem bar weinig tegen. Dus als je hem ziet, doe dan wat goed is. Voordat het te laat is, want voor je het weet is hij weer uit het zicht verdwenen.
Dat zijn de woorden die volgen op de twijfelende stilte, en de onomkeerbaarheid van de zaken.
De rillingen lopen over mijn rug, en mijn stem is gescheurd na het gillen van deze zin. Wie zingt hoe Jezus wordt gegeseld en gekruisigd krijgt een koud hart. Staat te trillen van woede.
En Jezus sterft. Hij stierf, want het volk, het opgejutte volk wilde het zo.
Waarom? Laten we in godsnaam nooit meer zoiets willen. Het gebeurt nog elke dag.