Het kleinste mensje dat ik ooit heb gezien. Lief klein mensje, mooi klein mensje. Nog iets te klein misschien.
Je moet nog een beetje groeien voordat je hier naar buiten mag, groei maar gauw. Zodat we je op kunnen tillen en flesjes kunnen geven, en de bloemen laten zien en de bomen, je handje vast kunnen houden als je lopen gaat, kunnen lachen om je grapjes, en we zullen honderd verhalen vertellen en nog meer. Want we houden van jou.
Wanneer kom je terug naar hier? Ik had je al zo lang verwacht. Ik tel de dagen steeds opnieuw, ik zoek je in de nachten maar tevergeefs is de moeite die ik doe. Als ik toch kon bedenken wat er is gebeurd. Je weet dat ik niet zonder kan, je komt niet los van mijn gedachten.
Ik mis je zo. Ik mis je prachtige gestalte. Je rust, en hoe je me beschermt met je stilte. Je koude armen om me heen die alles dempen wat ik niet horen wil. Die kalmte, alleen het zacht rinkelende ijs als ik met je dans. De warmte van mijn sjaal en de wind in mijn gezicht.
Wees alsjeblieft niet boos. Zeg niet dat ik een ander heb. Ja, ik houd van hem maar ook van jou. Voor eeuwig en altijd, denk je echt dat ik je verraden zou? Alsjeblieft, lieve winter, kom terug en houd ons vast, wij met zij drieën, wij alleen, betover ons als ik hem kus.
Eerlijk gezegd weet ik niet meer wat de zin van het leven is. Vroeger leefde ik om een goed mens te zijn, om anderen zo veel mogelijk positiviteit te kunnen geven. Ik wist: ook al zou ik de wereld maar een héél klein beetje beter achterlaten, op wat voor manier dan ook, dan was het in ieder geval niet slechter, dan was het goed genoeg.
Maar nu weet ik niet of goed en slecht wel echt bestaat. Sinds ik hem ken, heb ik het gevoel dat mijn goedheid eigenlijk slecht is, dat ik alleen maar verspilde moeite doe en ondertussen de dupe word van de onnadenkendheid van andere mensen. Want hij leerde mij dat mensen maar wat doen, en dat je het beste maar mee kunt gaan in die gedachte, omdat het anders veel te teleurstellend is.
Niet dat hij dat in zijn leven volhield. Niet dat hij geen pijn had. Waarom belandde hij anders in mijn veilige armen? En ik, met het volle vertrouwen in de mensheid dat ik had, dacht dat ik bij hem ook veilig was.
Niets bleek minder waar. Daar was zijn pijn dan. In mijn schoot geworpen. Ik verdien die pijn niet. Hij verdient die pijn niet. En toch ging het zo. Eén ding weet ik zeker: ik zal nooit zo stom zijn om me dan ook maar zo kortzichtig te gedragen. Maar er zijn er zo veel die het wel doen. Ze lijken nog tevreden ook. En of ze dat nu daadwerkelijk zijn of niet; hun voorbeeld doet volgen en zo wordt het in stand gehouden. Wat ga ik daar in mijn eentje tegen doen? Nee, eerlijk gezegd weet ik niet wat de zin van mijn leven is in deze wereld waarin iedereen toch maar zijn eigen plan trekt.
De winter was zacht, maar mijn leven bevroor. Tranen van steen. De dagen werden langer en het licht killer. De hartstocht meedogenloos afgesneden. Gedesillusioneerd, bang, geen idee wat me was overkomen. Alleen de pijn, zo onoverzichtelijk dat ik niet anders kon dan geloven dat dit het echte leven was. Onmogelijk te houden van.
“En ik haal mijn hart open
aan de leegte van dagen
die één voor één voor één,
en geen enkele zoals het was.”
En elke keer dat ik desondanks in je armen lag, schreeuwde mijn geweten. Een kreet van wanhoop die ik ten einde raad probeerde te vergeten. Alles werd vlak. En zweeg ten slotte, als een vuur dat doofde in de nacht.
(Fragment: Liesbeth Jansen en Willibrord Huisman, De Lastpost, 2014)
Vorig jaar wenste ik dat er, na een heleboel pech tot aan het einde van 2013, geen tegenslagen meer zouden komen in 2014. Die wens is uitgekomen.
Maar ik vergat dat dat blijkbaar niet altijd betekent dat je een zorgeloos leven kunt leven. Wel heb ik van 2014 geleerd. Dat je altijd moet blijven geloven in jezelf en in de kracht van je intuïtie. Laat je niks wijs maken, laat je niet bang maken. Ook al lijk je anders dan anderen: wees de persoon die je bent, laat je niet tegenhouden om de dingen op jouw manier te doen, en pas als dat niet gaat zal je iets moeten veranderen. Aan de situatie wel te verstaan, zodat je kunt blijven uitdragen waar jij voor staat.
Opdat 2015 voor ons allemaal een zorgeloos en gelukkig jaar mag worden!
Of eigenlijk kijk jij tv; ik luister naar de grappen van de cabaretier en kijk toe hoe je lacht, tot tranen toe. Je bent zó mooi. Je bent zó mooi als je je wenkbrauwen fronst en je bruine ogen schuin wegdraait van het lachen, als je je neus optrekt en je donkere wimpers zich een beetje samenknijpen, als je zowel je boven- als ondertanden ontbloot op die manier die me meteen al opviel, de allereerste keer. Die manier die ik nooit bij iemand anders gezien heb. Die mond. Die mond die ik steeds weer wil kussen, al helemaal als je lacht. Ik zie je zo graag lachen, vooral op die momenten dat ik ook heel hard lachen moet, als onze humor wederom hetzelfde blijkt te zijn. Je bent zó leuk.
En toch. Jij ziet mij ook het liefste lachen, dat weet ik, maar verdriet heb ik misschien wel evenveel. Op de achtergrond sluimert nog altijd die pijn. En je bent zó lief als je zegt dat je niet wilt dat ik huil. Maar iets in mij zegt me dat het je eigen schuld is. Iets in mij stelt me elke ochtend weer de vraag of ik wel bij je zou moeten zijn. Hoe kan ik niet bang worden van deze opdringerigheid van mijn eigen gedachten? Ik word gek van die angst. Red me, red me, maar dat kan je niet. Want hoe hard je ook roept, hoezeer je ook wanhoopt, het is te laat. Veel te laat. Je hebt me zó teleurgesteld. Hoe wil je me redden dan? In dit gevecht sta ik alleen, of ik dat nu wil of niet.
Een jaar geleden waaide het ook zo hard. Ik weet het nog precies.
Ik denk aan de telefoon, de bank en de trein, aan jou, je auto, de tranen, en aan de vakantie die het begin van mijn herstel had moeten zijn.
Het sloeg om in een hel, een onbegrijpelijke hel die me een jaar lang bezig hield. Waarom, dat weet ik nu wel maar toch begrijp ik het niet.
Ik tel de seconden. Een jaar geleden wist ik nog van niets. Maar vanavond zul je me opnieuw moeten troosten. Want jij deed me dit verdriet.
De fiets fietst over de herfstblaadjes en door de winterkou. Ik erop, omdat ik fietsen zou. Ik trap en ik huil en ik staar, en de fiets fietst me naar weet ik waar. Meestal naar huis, daarom woon ik daar.