Op het station wacht een deken van warmte. Niet alleen omdat je er uit de kou en uit de wind staat, maar ook omdat er muziek klinkt.
Achter de piano, die er al enkele maanden staat en door iedereen te gebruiken is, zit meestal een jongeman. Velen van hen lijken te improviseren, spelen prachtige lange stukken.
Zo ook nu.
Het duurt nog even voor mijn trein komt, dus ik besluit in de warmte te wachten. De muziek vult mijn hart. Ik kijk naar de trein naar Vierlingsbeek, die op het punt staat te vertrekken, en dan speelt alles zich weer af voor mijn ogen. Hoe hij me op kwam halen van het station. Dat ik afstand bewaarde, die eerste date, maar hoe hij toch heel dichtbij kwam. Gewoon, door te zijn wie hij was.
Hoe ik hem omhelsde op het perron, voor ik de laatste trein in ging, en hoe ik hem vertrouwde.
Zou ik hem ooit weer zo kunnen vertrouwen als toen? Zou ik de mensheid nog ooit kunnen vertrouwen?
Plotseling wordt het stil. Het duurt even voor ik me realiseer dat de pianist is weggelopen om zijn trein te halen.
Zelf heb ik nog tien minuten. Ik zou achter de piano kunnen gaan zitten, ik zou zoveel kunnen spelen, maar ik weet dat ik dit gat niet vullen kan.
Carnaval dus. Een kleurrijke hossende massa. En valentijnsdag. Twee hartjes op zijn wang, twee op de mijne.
En een onderbuikgevoel. Het had nooit zo mogen gaan, nooit. Hoe lang duurt deze pijn nog, ik verdien dit niet. Hij past waarschijnlijk gewoon niet bij me. Wat zouden die anderen denken als ze wisten… Waarom kan ik niet gewoon gelukkig zijn?
Geniet van het leven, maar wat als dat domweg niet gaat, hoe graag je ook zou willen? Ik kijk in zijn ogen. Twee prachtige ogen onder een olijke pruik, het staat hem geweldig, en wat is het fijn dat we samen zo veel leuke dingen kunnen doen. Waarom dan toch steeds dat verdriet?
Twee armen stevig om me heen. Hij houdt me warm, hij draagt me op handen. “Na een tijdje zal het hopelijk over zijn zodat je je alleen nog goed voelt”, zegt hij: “Ik zie toch de liefde in je ogen als we samen zijn.”
Hij ziet het goed. Maar wat als het steeds lijkt of die liefde me niet gegund is?
…aan iedereen van boven de rivieren. Het is mij al eens eerder opgevallen dat veel mensen die niet met carnaval zijn opgegroeid, denken dat carnaval draait om jezelf onder de tafel zuipen en vreemdgaan waar je vrouw bij staat. Ik weet niet echt waar deze misvatting vandaan komt, en ik negeerde het vooral want ik kan wel bezig blijven om het allemaal uit te leggen, maar de laatste tijd begint het me toch wat zorgen te baren. Oké, ik geef toe dat ik niet zeker weet wat oorzaak en gevolg is, maar ik heb sterk de indruk dat de opkomende populariteit van het carnaval in de rest van het land “ons” carnaval langzaam maar zeker aan het verpesten is. Steeds vaker hoor je dat het in de grote Brabantse steden echt niet leuk meer is omdat het te veel op een gewone uitgaansavond lijkt, met bussen vol feestgangers uit midden en westen van het land, die het echte carnavalsgevoel gewoon niet begrijpen, niet gezellig zijn, te veel drinken. Maar hun opvattingen lijken wel degelijk hun invloed te krijgen op het carnaval van de laatste jaren. Was de tekst van een Nederlandstalig carnavalsnummer vroeger nog “Er staat een paard in de gang”, nu hoor je met name dingen als: “Schudden met die kont, snollebolleke!” of “Vanavond wil ik bam, bam, bam” en daar word ik persoonlijk niet erg vrolijk van. Wat een oppervlakkigheid, wat een agressiviteit, wat een respectloos gedoe.
Dus alsjeblieft mensen. Stop jullie onjuiste opvattingen over carnaval te verspreiden. Carnaval gaat om genieten van het leven, met elkaar, even een paar dagen niks aan je hoofd, het saamhorigheidsgevoel. Feesten en dollen, maar júíst wel met respect voor elkaar. In Brabant moet je tegenwoordig hard zoeken als je dat nog ergens wilt vinden.
In Limburg hebben ze daar echter iets op bedacht. Al hun carnavalsliedjes zijn in het dialect, dus als er al een vreemdeling op af komt, heeft hij er geen invloed op. Heerlijk authentiek. “Ut leeve is un fees en altied al gewees.” Juist! Dáár ging het allemaal om, inderdaad.
Een eenvoudige keuze voor mij: gelukkig liggen mijn roots dicht genoeg bij Limburg om me daar prima te vermaken. Ik vier mijn carnaval in het zuiden. Houdoe!
Ik smeek je nog een laatste keer –
ik verdraag dat grijs niet meer…
Kom terug, kom hier,
al vriest het maar een graad of vier,
als de wolken maar verdwijnen
de lage zon begint te schijnen
over het fonkelende land,
verblindend in mijn ogen brandt.
Die motregen ben ik zó moe,
waar gaat de wereld toch naartoe,
het wordt hier niks zo zonder jou,
laat me niet steeds in de kou…
“Je kunt fysiologisch gezien niet langer dan anderhalf jaar verliefd zijn”, zei je, op je dokterstoon. Zoals dokters wel vaker dingen beweren die ze ooit ergens geleerd hebben, maar die je niet zo hard kunt stellen.
Ik ben het levende bewijs. Kijk mij hier nou staan. Ik tel nog steeds de uren af voordat ik je weer zie. Als een kind. Sta te dromen voor het raam, mijn hart gaat tekeer, kriebels in mijn buik.
En als je er dan eindelijk bent kan ik uren naar je kijken. Naar je ogen, je haar, je mond, hoe je lacht, hoe je praat, hoe je beweegt. Naar je hele lijf. Je hand vasthouden. Ik kan bijna niet van je afblijven als we in gezelschap zijn, dan wil ik je naar me toe trekken, je hoofd vastpakken, je zachtjes kussen. Tintelende vingers. Ik houd me in en denk aan hoe je ruikt als je gedoucht hebt, of juist niet, als de geur van de eau de toilette die je in het begin al had nog in je hals hangt.
En als ik je te lief vind, dan begin ik te huilen. Gewoon. Omdat dat blijkbaar moet. Omdat het nooit anders geweest is sinds ik je ken. Dan helpt nog maar één ding: jouw armen om mij heen.
Dit is waar ik op wachtte. Hoe het wit langzaam neerdaalt in de ochtend, met zijn onschuldige gedwarrel. Hoe het stil is in de straten. Een flinterdun laagje op de wereld, genoeg om haar tot rust te bedaren.
Zo’n ochtend. Zo’n fijne nieuwe dag, waarop je even tot inkeer kunt komen voordat het leven weer begint. Dat alle kleuren pasteltinten worden. Dat ik bijna geen voetstappen achterlaat omdat het nog vriest. Het opkomen van de zon, de rood met blauwe hemel, warme handschoenen, koude tenen en de vlokjes op mijn muts en schouders.
Je bent in slaap gevallen.
Ik lig naast je en kijk hoe het daglicht steeds blauwer wordt terwijl het langzaam maar zeker van je gezicht af glijdt. Je prachtige huid als een spiegel van de avondhemel. Ik kijk naar buiten, naar de egale lucht, vraag me af hoe lang het nog duren zal, en dan weer naar jou. Ik zie details die ik anders niet zou kunnen zien: een littekentje op je wang, het kuiltje bij je mondhoek. Een haar van mij op je kraag. Die haal ik maar gauw weg, zonder dat je ontwaakt.
Als het donker is hoor ik alleen nog maar hoe je rustig ademhaalt. Ik doe de lamp aan en kus je wakker. Je bent toch het mooist als je je ogen open doet.
Eigenlijk zou ik graag willen schrijven over mijn nieuwste frustratie, namelijk dat er ineens niemand meer reageert op mijn blogs. Ik vraag me af hoe dat komt. Is mijn weblog niet interessant genoeg meer? Moet ik ergens anders over schrijven? Hebben jullie het te druk? Worden mijn berichten überhaupt nog gelezen? Is het probleem dat ze niet reageerbaar zijn? Ben ik niet actief genoeg op andere weblogs? Begint weblogland uitgestorven te raken, moet ik vast langzaam afscheid gaan nemen van mijn blog?
Ik zou zo graag een eerlijk antwoord willen. Maarja. Waarom zou ik er naar vragen. Waarschijnlijk reageert er toch niemand.
Edit: dit laatste stukje was zelfspottend bedoeld, maar nu er ineens zo veel mensen reageren klinkt het nogal lullig. Sorry…
op een winterse zaterdagochtend. In Deventer lijkt het altijd vijf graden kouder te zijn dan in de rest van Nederland. De vertrekstaten kromgetrokken in het informatiebord. Gelukkig schijnt de zon.
Op het perron ligt vogelstront. Ik kijk omhoog. Een witte duif kijkt me recht aan van onder de overkapping. Een prachtig donzig beest, maar poepen kan hij. Iets verderop neem ik mijn positie in. Ik heb alweer geen idee in welke richting mijn trein zal vertrekken.
Toch is Deventer sinds kort iets meer dan een overstapstation. Ik kijk naar de overkant van het spoor, het andere perron, en verder, de straten in die ik nu een beetje ken. De kerk in de verte. Jij weer in je winterjas, dezelfde geur als vorig jaar. De steegjes in het donker. Wladimir die vluchtig een rondje loopt met Opa. Ik sis in je oor: “Dat is de bassist! De nieuwe!”
Samen döner eten en dan naar de zaal. Marc die me vrolijk begroet. Het voorprogramma en Opa rustig kluivend op zijn bot. Hij gaat er vandoor als het op is, of eigenlijk in stukken op het podium ligt, net voordat Mattanja klaar is met zingen.
Jack moet naar de kapper. Maar jij danst, ik natuurlijk ook, we genieten, je vindt het leuk. Dat is het belangrijkste.
Jullie weten dat ik het niet vaak doe, maar zo heel af en toe kom ik een tag tegen waarvan ik meteen weet: hier moet ik iets mee. Vandaag zag ik een tag bij Joyce die eindigde met de zin: “Als je vindt dat je even stil moet staan welke dingen je blij maken is dit een perfecte tag”, en daar was ik het mee eens. Maar ik doe het wel stiekem op mijn eigen manier.
Dankbaar. Het is niet altijd makkelijk om dankbaar te zijn. Toen ik mijn vriend net kende was ik dankbaar dat er eindelijk iemand op mijn pad was gekomen. Maar dat gevoel sloeg binnen enkele weken om. Sommigen van jullie weten welke dingen er gebeurd zijn en hoe zwaar dat is geweest, hoe mijn lichaam me in de steek liet, en hij, en dat er heel weinig overbleef om dankbaar voor te zijn. Dat het me soms nog steeds niet lukt. Want ik kan nog zo boos en verdrietig zijn om de manier waarop het is gelopen. En er zijn zo veel mensen met een oordeel, of ik ben op zijn minst bang dat ze een oordeel hebben. Hoe moet je dan trots en dankbaar zijn?
Gelukkig heb ik een uitvlucht en dat is het opschrijven van mijn verhaal, dat al meer dan zeventig pagina’s telt. Het idee dat ik alles wat er is gebeurd binnenkort kan laten lezen aan wie dat maar wil en dat het dan duidelijk zal worden waarom ik ervoor gekozen heb om door te gaan.
Maar waarom zou ik daar niet vast een voorproefje op nemen? Wat ik wil zeggen is dat ik ontzettend trots ben dat mijn vriend en ik allebei de moed hebben gehad om ons gevoel te volgen en ons door alle tegenslagen heen te vechten, waardoor nu, na anderhalf jaar, eindelijk zichtbaar wordt waar we dit voor hebben gedaan. Ik durf eindelijk te zeggen dat ik dankbaar ben dat het zo heeft kunnen gebeuren, omdat we allebei ons plekje hebben gevonden, namelijk bij elkaar. Blijkbaar was er geen andere manier om dat plekje te vinden. We moesten veel over onszelf leren om aan de oppervlakte te kunnen halen hoeveel we eigenlijk gemeen hebben. Iets wat we diep van binnen vanaf het begin al wisten, maar wat uit het zicht verdween door de manier waarop het leven ons, ieder apart, gevormd had.
Nu weten we dat wij elkaar geholpen hebben om lief te durven hebben, en hoe sterk we zijn met zijn tweeën. Dus kunnen we de toekomst vol vertrouwen tegemoet gaan.