Een stad maakt zich op voor de Vierdaagse. Wandelaars en militairen. Overal, bussen en treinen vol. Omleidingen, caravans, en stoelen en banken langs de Sint Annastraat.
En in het centrum… Niets van dat. In het centrum is het feest!
Vorig jaar schreef ik ook. Vorig jaar was het hetzelfde en toch anders. Alles herinnert. Ik maakte me mooi, hunkerde, danste, ontmoette. Alles herinnert me aan hém, en dit jaar is hij er weer, die gekke jongen die lastige vragen stelt met zijn mooie mond. Die ik eigenlijk niet begrijp. Die niet om telefoonnummers vraagt maar wel op weblogs reageert. We dwalen samen door de prachtige nacht. En kussen elkaar.
Er zat een gat in de muur. Een enorm donker gapend gat, waar je zo de spouwmuur in keek.
Het deed haar denken aan vroeger, als er weer een vogeltje in de spouw van het oude huis van haar ouders terecht was gekomen. Een luid gekwetter waar iedereen van opschrok, maar zij geloofden gelukkig niet in horrorverhalen. Er volgde dan een reddingsactie, waarna haar vader altijd het slachtoffertje aan haar liet zien. Ze mocht het aaien voor hij het vrijliet.
Ze was niet bang, maar het zag er gewoon niet uit, dat gat. Gelukkig had ze een mooie lange sjaal, die ze met punaises in het pleisterwerk had gedrukt. Het stond prachtig.
Ze dacht al niet eens meer aan het gat, totdat ze op een dag aan het stofzuigen was. Ineens zag ze wat bewegen in haar ooghoek. Ze keek op, en schrok: de sjaal golfde, al bungelend aan de muur, als de belichaming van een duistere wind, een donker spook.
“Het spookt hier!”, riep ze: “Schat, het spookt hier, er woont een spook in het gat in de muur… Je moet hem voor me wegjagen!”
“Het is gewoon de stofzuiger die onder het kastje door en dan omhoog langs die sjaal blaast.”
“Ja, dat weet ik wel,” zei ze vervolgens een beetje verongelijkt, “Maar het is toch veel leuker als jij de stoere held bent die het spook voor mij kan wegjagen?”
“Maar dan kun je niet meer stofzuigen!” zei hij op onschuldige toon, en hij keek haar met grote ogen aan. En toen kregen ze de slappe lach.
Ik zie mezelf nog lopen op mijn mooie paarse schoenen. Ik zie mezelf nog zitten in de trein, of op de stoep. Ik zie mezelf nog tegen je aan liggen en ik weet nog wat ik dacht.
Ik was bang. Bang voor wat komen zou. Zou ik hier nog van herstellen en hoe lang zou het nog duren? Zou ik nog slapen? Zou je bij me weglopen als ik teveel mezelf werd?
Nee, dacht ik, je zou niet bij me weglopen want je zou me geen pijn doen. En hoe moeilijk ik het ook had, het vertrouwen in mij groeide, en ik wist dat ik van je hield. Ik liep rechtop. Maar toen had je nog niet opgebiecht dat ik verkeerd had gedacht.
Opeens ging de wereld open. Ik fietste naar huis, en in eerste instantie was alles nog vaag, zoals het dat al maanden geweest was.
En toen, zomaar, ontdekte ik dat mijn ogen weer konden scherpstellen op de weg. En op mijn medeweggebruikers. En op verkeersborden en lantaarnpalen. Ik kon alles weer goed zien! Plotseling zag ik dingen die me nog nooit eerder opgevallen waren. Dat er auto’s reden aan de andere kant van het veld, waar blijkbaar een weg was. Hoge gebouwen in de verte. Bloemen, bordjes, vanalles.
Ik kreeg hoofdpijn van al dat scherp zien.
Hoe de zon overal op scheen. Ik keek weer om me heen! Was dat het dan geweest? Dat ik al die tijd stomweg te veel in mezelf was gekeerd om in de verte te kijken? Dat mijn ogen er lui van waren geworden?
Geen idee, maar het leven is mooier als je van je af kijkt. En het dan ook kunt zien.
Prokofiev tekent op mijn huid. Dunne lijntjes, ontelbare lijntjes. Armen, schouders rug, een levende legende word ik als de stad langzaam over mijn gezicht dwaalt.
Water en bruggen. Kerken, gebouwen, de wapperende vlaggen. Rijken en armen, kale bomen, dat allemaal op mij. Maar vooral het theater. De letters ritselen. Михайловский театр.
Daar danst hij: Romeo. Als een hert over het podium. Ik voel het, hij voelt het. De spanningsboog die pijlen schiet, recht in de roos.
Het tekenen wordt borduren. Draden, snaren. Een web. het kriebelt, het steekt. Ik ril.
Maar alleen omdat ik meer wil. Meer van dit geluid. Meer van deze stad.
Treurig kijk ik naar de tegels die bezaaid zijn met jouw stof
maar in het helder daglicht lijkt één splinter minder dof.
Ik buk, voor me ligt zowaar een klein maar prachtig hart van goud
waarin ik duidelijk kan lezen dat je zielsveel van me houdt.
En ik huil opnieuw, ik kan het je niet geven,
je goede wil, verwoest en wat er overbleef te klein om van te leven.
Plots weet ik dat het snel moet, ik neem de boor weer in de hand
en knijp mijn ogen dicht terwijl het werktuig in mijn borstkas brandt,
ik neem de scherven van mijn hart en leg ze met het jouwe
in het vuur van argwaan dat nog woedt in mijn vertrouwen.
We smelten samen, ik doof het vuur, deel het vloeibaar hart in twee,
het mijne was toch veel te groot, mensen spotten er steeds mee.
Ik kneed de stukken keurig rond, jij een deel, ik een deel,
oprecht en voor altijd verbonden, maar zeker niets te veel.
Je geeft geen krimp, je hoort mijn huilen botweg niet,
je geeft allang geen ene moer meer om mijn radeloos verdriet.
Ik leg mijn hand op je wang en draai je hoofd dwingend naar me toe.
Je aders kloppen in je hals en jij slaapt door, ben je zo moe?
Verachtend kijk ik naar je prachtige gezicht,
die ogen die me smelten deden, maar nu weet ik wie er naast me ligt.
Stik er maar in, ik sta op, loop naar de schuur
waar ik precies hetgene vind dat me kan bevrijden van dit vuur.
Ik pak de handboor stevig vast en maak een gaatje tussen je longen
en ik vind er wat ik zocht, leeggegeten, hard, verwrongen.
Ik bevrijd je heel zorgvuldig van je stenen hart
en smijt het woedend op de grond; beter niets dan kil en zwart.
Ik kus je, jou bewaar ik zodat het niet meer kan gebeuren
dat een man de kans krijgt om mijn hart weer te verscheuren.
Het was een moment stil. Hij pakte wat spullen en verdween om de hoek. Ik keek verveeld om me heen, zat al zeker tien minuten te wachten op mijn volgende afspraak. Waar ik overigens geen zin in had, liever dacht ik aan de verwachting die te lezen was op het gezicht van de man die ontoevallig meteen na mij binnenkwam, en deed of hij hier zijn moest. Aan de manier waarop hij het gesprek met mij verlegen begon.
Weerspiegeld in een raam zag ik plots zijn silhouet. Hij was helemaal niet bezig, leunde slechts tegen de vensterbank om ongemerkt de situatie te overpijnzen. De stapel papieren doelloos drukkend op zijn hand. Ik glimlachte. Het is niet voor iedereen gemakkelijk, een vrouw veroveren. Ik wachtte af wat komen zou.
Dit was zo aandoenlijk en zo lief. Ik keek naar de deur, maar die bleef dicht. En toen trok mijn blik mijn aandacht terug naar het raam. Hij stond er nog steeds, en ik keek naar de spiegeling van zijn lichaam, zijn gezicht.