Het licht van de lamp op je linkerwang. Zoals we samenzijn: jouw ogen, je mond en mijn handen in je haar of op je rug, liefst in je hals waar ik je hartslag voelen kan.
Je kent dat hoogstwaarschijnlijk niet, dat je van liefde overloopt. Dat het veel te vol en warm is van binnen. Mijn hart put zichzelf uit alsof het bloed ergens heen zou moeten waar het niet gaan kan, alsof het zich wil vermengen met dat van jou.
Ik zou willen dat dat gevoel over mijn lippen naar buiten kon, of desnoods door mijn oren. Ik zou wel willen stampen of schreeuwen maar dit laat zich slechts omzetten in tederheid, en daarvan heb ik niet genoeg. Maar twee handen om je zachtjes aan te raken, maar één mond om je te kussen en een ziel vol genadeloze kwetsbaarheid.
Je kent het niet, ik zou willen dat je het kende, maar wellicht is het maar beter zo. Want als dit barst in tranen is er tenminste iemand die de liefde troost.
Toen iedereen allang gevlucht was, stond ik nog buiten. De verkoelende eerste windvlagen in mijn haar, mijn jurkje zachtjes zwaaiend langs mijn blote benen. Het kippenvel op mijn bovenarmen. Ik keek naar de hemel en hoe het dreigende grijs naderde. Meer en meer begon de lucht te kolken. Hier en daar een lichtflits en het sterker wordende gebulder overal boven me, als de rammelende maag van een gruwelijk monster waar niet aan te ontkomen is.
En eindelijk begon het tikken van de dikke druppels. Eerst één voor een. Toen wat meer. En ik stond daar nog steeds, luisterend naar de regen, het viel nog mee, leek zelfs weer te stoppen. Totdat de razernij losbarstte, en de verfrissende harde spatten vielen op mijn hoofd, mijn schouders, mijn voeten, overal. Ik draaide me om, opende de deur, genoot nog één seconde en liep naar binnen.
Wat ben je traag.
De klok die tikt, weer een station,
ik wilde dat ik ze kon wissen
wilde dat het sneller kon.
Ik verloochen je niet graag,
doorgaans geniet ik van je rust:
de regen die de wereld kust,
of de lichtjes in de nacht.
Maar het lukt me niet vandaag,
omdat mijn vriendje op me wacht…
ik kan hem gewoon niet missen.
De drassige veengronden met al hun geheimen. De dode bomen staan daar met zo velen, als handen grijpend naar de hemel, maar zij kunnen het verhaal niet navertellen. Een eend brak zijn nek in het hoge gras, maar hoeveel liggen diep in deze plas op de verende gronden? Bruinverteerd, verschrompeld, en het haar als touwen. Je zou er maar belanden; het is weer eens wat anders.
Dood gaan we allemaal.
Ik heb overal gehuild.
Op de fiets en in de trein,
op mijn werk en in de kroeg.
Soms wel vijf keer op een dag
’s avonds laat en ’s ochtends vroeg
of stomweg midden in de nacht.
Eraan denken doet me pijn.
Weer fiets ik huilend door het bos,
maar voel de zon die zachtjes troost
en laat steeds wat tranen achter
tussen de bomen op het mos.
Dat was leuk. Een beetje handen schudden en hoi zeggen tegen je favoriete artiesten, die tussen de fans lopen alsof ze gewone mensen zijn (en dat zijn ze eigenlijk natuurlijk ook). Maar tegelijkertijd uiteraard wel stiekem om handtekeningen vragen. En en passant je zwarte t-shirt dan ook maar aan de voorkant opleuken met een ter plekke bedacht Rowwen Hèze-logo. De oplettenden onder ons weten dat ik al eens eerder een Rowwen Hèze-shirt ontworpen heb, dus dat was een fluitje van een cent. Kostte, om eerlijk te zijn, véél minder tijd dan die vorige. Sterker nog, ik heb het erop getekend terwijl ik hem aan had :)
Ohja, en natuurlijk ook een optreden op deze dag. Dansen en zingen zoals altijd!
Ik zie nog zo hoe hij daar zat, met op zijn knie de vergeten gitaar. Op de rand van het bed, de rug naar me toe, krulletjes in zijn haar.
En hij speelde, boog zich over het gevaarte dat tevoorschijn kwam toen ik erom vroeg. Hij kon het nog, hij kon meer dan genoeg, en ik keek en werd warm van binnen van wat ik zag en hoorde.
Dat moment ging veel te snel verloren. De gitaar hangt nu aan de muur, prachtig en fier, maar zijn geluid heb ik niet meer horen klinken hier. Toch blijf ik hopen op de dag dat klanken zich mengen, dat we zweven op de lucht die trilt, dat we delen wat we hebben en in de resonantie zwemmen. Er gulzig van drinken, want we weten allebei hoeveel geluk er in muzikaliteit is te vinden.
Ik denk dat ik al mijn geluk als kind opgebruikt heb. Ik had werkelijk altijd geluk. Ik was gezond en slim, als ik brokken maakte pakte het altijd uit met hoogstens wat schrammen of builen, mijn opa’s en oma’s leefden allemaal nog en als ik te lui was om te leren voor school of het stomweg vergat (ja, dat deed ik), kwam ik er altijd mee weg. Zelfs als ik in waterattracties ging zoals de Piraña had ik geluk: ik werd nooit nat.
In de afgelopen weken ben ik twee keer in de Efteling geweest en ook twee keer in de Piraña, en twee keer had ik een kleddernatte kont. Precies zo’n plek die maar niet op wil drogen en zodoende resulteerde dat in schrale billen de volgende dag. Niet fijn.
Gisteren regende het. Ik was op mijn werk en het was allang tijd om naar huis te gaan. In de hoop dat het wel wat minder zou worden met die regen was ik langer doorgegaan dan nodig, maar het hield maar niet op.
En toen bedacht ik me: ik kan met de bus.
Dus ik sloot mijn computer af, trok mijn jas aan, pakte mijn paraplu en liep naar de bushalte. Tot zo ver niks aan de hand, maar toen ik daar eenmaal bij die halte stond duurde het wel erg lang. Zou ik de aansluiting wel halen? Als ik niet eerst zo lang gewacht had, had ik met een bus eerder sowieso allang thuis kunnen zijn. De regen werd plotseling minder. Als ik nu mijn fiets zou pakken, zou ik eerder thuis zijn dan wanneer ik op de bus zou wachten.
Ik deed het onverklaarbare en liep weg bij de bushalte. Ongeveer halverwege de halte en de fietsenkelder keek ik niet waar ik liep en stapte op een losliggende steen.
Allebei mijn schoenen gutsten vol water.
Iets in mij vertelde me toen al: dit is een hele domme beslissing. Ik kon me nog omdraaien, maar dat deed ik niet. Nu waren mijn schoenen toch al nat. En het was inmiddels droog. Dus moedig stapte ik op mijn fietsje, paraplu in de aanslag en zo snel mogelijk naar huis.
Natuurlijk gebeurde wat er moest gebeuren. Toen ik precies halverwege was viel de regen ineens met bakken uit de hemel. Ik stak mijn paraplu op en boog me over mijn stuur, maar dat hielp verdomd weinig. Mijn schoenen waren binnen no-time kleddernat, en op mijn rug droop het water van mijn jas af, zo mijn rok in. Niet fijn.
Ongeveer één kilometer van mijn huis kwam de bus langs. Weemoedig keek ik hem na, me bedenkend hoe vrolijk ik was geweest als ik daar lekker warm en droog in had gezeten en had gekeken naar de stortregen. En blijkbaar was het nog sneller geweest ook.
Eenmaal thuis stond er een enorme plas water voor de deur van het schuurtje. Geërgerd en al vechtend met de paraplu, mijn fiets en mijn sleutels – ik heb tenslotte maar twee handen – dacht ik: boeiend, mijn schoenen en sokken zijn nu toch al nat. Ik zette er één stap in en ontdekte binnen twee tellen dat er verschillende gradaties zijn in nat.
En uiteraard ging het meteen veel minder hard regenen toen ik eenmaal binnen was.
Het feestje was compleet toen ik vanmorgen wakker werd met schrale billen. Ik wil jullie dan ook vragen om me nu zo hard mogelijk uit te lachen; dan heeft er tenminste nog iemand lol beleefd aan dit hele verhaal.
“Nu hoef je nooit je jas meer aan te trekken en te hopen dat je licht het doet.
Laat buiten de stormwind nu maar razen in het donker
want binnen is het warm en licht en goed.”
De regen tikt zachtjes op de stoep. Ik zie mezelf nog gaan, al die keren dat ik van hem weg moest, naar huis, door weer en wind en met een storm in mijn hoofd.
Ik wilde niet, ik kon het niet, ik kon het allemaal niet aan. Doodmoe, doodsbang.
“Ik zie het vuur van hoop en twijfel in je ogen
en ik ken je diepste angst.”
Ik kijk naar rechts. Vandaag werd ik wakker naast hem, met een liedje in mijn hoofd. Ik hoef nooit meer naar huis als ik niet wil, ook al betekent dat niet dat het opeens allemaal vanzelf gaat, of minder eng is.
“Want je kunt niets zeker weten en alles gaat voorbij.
Maar ik geloof, ik geloof, ik geloof,
ik geloof, ik geloof in jou en mij.”