Het is nog vroeg, het licht is blauw. De dagen worden alweer langer, maar de nachten eindelijk wat kouder.
Lichtblauw. De velden, de bermen en het park. Een laagje wat er al veel eerder zijn zou.
Het was zo lang geleden. Dat er auto’s met hun witte lichten door een glinsterend landschap reden, het halve duister, de kou die prikt in je gezicht. De winter, al die tijd net zo van streek als ik. Maar nu is het weer zoals het moet. Ik laat mijn schouders zakken. Ik zie het om me heen, ik voel het: alles is eindelijk weer goed.
Ik zie twee werelden voor me. In de ene kwetsen mensen elkaar en zijn mensen er constant op voorbereid gekwetst te worden – anders is het niet te dragen. Wie naïef is wordt vroeg of laat vanzelf met de neus op de feiten gedrukt, gedwongen om zich ook aan te passen. Dat lijkt verdacht veel op de wereld zoals die nu is.
In de andere wereld doen mensen hun uiterste best om niemand onrecht aan te doen en kunnen ze er ook vanuit gaan dat hen geen onrecht wordt aangedaan; of in ieder geval niet met opzet. Dat is de wereld waarin ik thuishoor. Het is niet om uit de hoogte te doen, maar ik kwets niet gauw iemand. Onrechtvaardigheid maakt me namelijk extreem boos: het is kleinerend en beschadigend. Soms overkomt het me toch, in een onnadenkend moment, met kleine dingetjes, maar ook daar leer ik weer van. Met grote dingen is het sowieso veel makkelijker, zijn er duidelijke grenzen, weet ik gewoon zeker: zoiets doe je niet. Dus ik doe het niet.
En toch leef ik in een wereld waar ik ieder moment door een ander gekwetst kan worden. Met iets kleins of iets groots. Dat vind ik hoogst oneerlijk maar alsnog weiger ik om dan maar te zijn zoals die anderen. Ik wil het goede voorbeeld geven. Zelfs als ik daarbij dan maar moet slikken dat ik regelmatig wél gekwetst word. Wrok vind ik een hele nare emotie die ook ik absoluut bezit maar waar ik zo weinig mogelijk aan toe probeer te geven. Want dat houdt de situatie in stand.
Je zou kunnen zeggen dat ik er dan alsnog rekening mee moet houden dat ik gekwetst kan worden en me daar onverschillig in moet opstellen. Maar ook dat wil ik niet, want ik weet zeker: als je geen angst hebt om gekwetst te worden kun je veel meer liefde voelen maar ook geven. Indekken is tenslotte niet nodig.
Het is helaas niet mogelijk om de mensheid te veranderen, maar je kunt wel een plekje creëren met dierbaren die hetzelfde denken, waarbij je veilig bent. En tegelijkertijd kun je daarmee iets uitstralen naar de buitenwereld. Dat is wat ik wil. Nodig heb.
Als ik je zie slaap ik niet. Als ik niet slaap word ik gek, gek van angst. Onrust duurt het langst. Omdat ik niet meer weet of ik verslaafd ben aan het houden van of echt iets in je zie. Wat ga je doen, wat wil je van mij? Raak ik hier verstrengeld in iets waar ik spijt van krijg? En dat het dan al te laat is, is dat een geruststelling of het hardst gelach?
Ik kan niet met of zonder je. Zeg iets, zeg het dan, laat me niet steeds wachten. Als jij slaapt en ik weer wakker lig, als jij plezier maakt en er kilometers verderop een traan loopt over mijn eenzame gezicht. De tijd tikt, ofwel veel te langzaam ofwel veel te snel, je kent dat wel.
Het is zo onwerkelijk allemaal. Ik begrijp niks meer van wat er hier gebeurt. Ik ben het met je eens dat het bijzonder is geweest, ik weet hoeveel je om me geeft, mag ik zeggen dat ik niet weet wat het nu nog bijzonder maakt of is dat te hard? Die pijn, is er een reden voor of zitten de problemen echt alleen in mij?
Ik zie steeds je gezicht, maar weet niet naar wie ik kijk. Je bent niet wie ik dacht. Wie zijn wij?
Ik weet niet veel, maar wel dat ik zo niet langer verder kan.
Het is winter. Verwarming aan, de mussen zijn de enigen die spelen in de struiken.
Maar ik moet naar buiten. Een beetje wit, je ziet het bijna niet, is het rijp, is het mist? Het ziet er niet uit, want de jasmijn zit nog vol groengeel blad. Maar wat kan het die mussen schelen; zij zoeken gewoon een veilig plekje hier. De kou put me uit op de fiets. Muts vergeten. Maar niks van rilling in deze kleine zachte bolletjes. Ze huppelen van tak tot tak. Was alles maar zo simpel, denk ik dan.
En het moge duidelijk zijn dat ik mijn eigen column niet goed heb gelezen.
Het is heel verleidelijk, véél te verleidelijk. Zelfs ik trapte er bijna in. Als de temperatuur begin januari steeds boven de tien graden uitkomt, bomen in de knoppen staan en hier en daar een vogeltje fluit is het zo makkelijk om het te laten gaan.
Maar laten we eerlijk zijn, de kans dat de winter alsnog toeslaat is vele malen groter dan de kans dat het nu al gedaan is. Sterker nog, de astronomische winter is pas drie weken oud. En er is niks erger dan winter op een moment dat je het niet verwacht. Denk maar eens aan vorig jaar. Wie had er geen last van? Het duurde en duurde maar, terwijl iedereen de lente verwachtte, er naar smachtte. Dat was voor niemand leuk. Je leest het goed, ook niet voor mij, hoeveel ik ook van de winter houden kan.
Ik kan dat namelijk alleen als ik er mentaal op voorbereid ben. Voor wie het guurste verwacht, al het nodige in de aanslag heeft, kunnen er alleen maar meevallers zijn. En prachtige landschappen, glimmende ijsvloeren.
Dus mensen, be prepared.
Dan zou het misschien wel eens kunnen dat je er nog van gaat genieten ook.
Het gezicht in de spiegel ziet er uitgewoond uit. Het haar in de war, kringen rond de ogen. Ze slikt.
Ik had het me anders voorgesteld. Vlinders laten je vliegen, dacht ik, en als je vliegt kun je overal heen waar je maar wilt. Wegfladderen uit alle donkere holtes die je eenzaam doen voelen.
Maar ik vlieg niet. Ik nam een aanloop, sprong, viel en lag een moment languit op de koude keldervloer. Het is hier leeg en kaal en mijn hoofd is zwaar. Ik bedacht me nooit dat samen willen zijn zo eenzaam kan voelen, zoveel bangheid op kan roepen. Ik bedacht me nooit dat angst je terug trekt naar beneden als iemand je mee naar boven neemt.
Maar ik sla de wespen van me af en kruip terug, die treden op naar boven. Als ik niet kan vliegen, kan ik toch op zijn minst gelukkig zijn met beide benen op de grond.
“Een goede morgen!” hoor ik achter me. Het is weer even wennen aan het westelijke accent van Joyce – andersom klink ik in haar oren waarschijnlijk als een onwijse Brabander – maar al gauw is het weer helemaal vertrouwd. Het is best bizar om iemand die je voor de tweede keer ontmoet zo goed te kennen.
We wandelen door de stad, maken hier en daar een stop om wat te kopen, thee te leuten of te eten maar vooral praten we. Wat weten we eigenlijk veel van elkaar. En juist daardoor kun je zo veel leren in een korte tijd, zo open als we kunnen zijn, zo veel als we in elkaar herkennen. Ontzettend fijn.
En na een lange middag gaan we beiden richting huis in het bezit van de échte Bossche bollen. Om in stijl na te kunnen genieten van een heerlijke dag.
In deze wereld waar de emoties zo veel mooier zullen zijn. Waar de gevoeligste ballades door elke kroeg sluimeren, kleuren warmer en intenser worden. Een plek waar de zon niet opkomen kan zonder te hopen dat het licht weer dieper blijkt te zijn.
Waar de kortste zinnen zich verzekeren met zinderende superlatieven en we uiteindelijk geen uitdrukkingen meer vinden, maar blijven hopen dat het vuur in onze taal niet gewoon zal worden. De wereld waar zelfs het mooiste, nieuwste, grootste alweer uit de mode is.
En waar desondanks het bloed zal blijven stromen.
In deze wereld zat ik tegenover jou, op zoek naar het geluk dat tussen ons de glazen bleef vullen en geheimen ontrafelde. Ik voelde niks, zocht, op de tast naar de waarheid die in de zinnen van tegenwoordig verstopt lag. Toch was het niet onduidelijk. De brandende kaarsen roken lekker, het was een mooie nacht, en zo luxe bovendien.
Ik pakte je hand, die net zo koud was als de mijne. Terwijl mijn ogen zich vulden met onverschilligheid en jij je glas wijn in één keer achterover sloeg, sprak ik vier lege woorden.
Het lied is klaar. Mijn handen blijven liggen op de toetsen, de voet op het pedaal. De laatste noot klinkt zachtjes door. Ik hoor nog mijn stem. Ik hoor hem nu en ik hoor hem toen, zoals het allemaal begon. Nietsvermoedend.
“It will all be right… so wrong”
Zo verkeerd en zo vaak. De tegenslagen, steeds uit onverwachte hoek en niet meer op één hand te tellen. Wat moet je dan voorspellen? Gaat het nu eeuwig zo door?
Laten we zeggen van niet, laten we de streep hier trekken en erin geloven dat 2014 meer voorspoed brengt. Laat het alsjeblieft ophouden met die tranen in mijn stem.
Een storm giert, raast en tiert,
de eerste keer dat je dat van dichtbij ziet
zul je op de ergste verwachtingen stuiten.
En als de wind gaat liggen durf je niet naar buiten,
bang voor al dat groot verdriet.
Maar als je gewoon gaat kijken
zou de schade zomaar kleiner dan je angsten kunnen blijken.