Laatst stond ik weer eens voor de spiegel met mijn epileerapparaat, tegenwoordig ook wel bekend onder de naam martelwerktuig.
Het begon allemaal heel onschuldig met dat ding. Gewoon, een paar beenhaartjes weghalen, je voelt dat nauwelijks. Totdat iemand – niet geheel belangeloos – een keer opmerkte dat je oksels toch echt beter niet kunt scheren. Gewillig als ik ben, bedacht ik me wat de andere opties waren. Harsen (ik zag al voor me hoe ik behalve de haren ook het vel onder mijn oksels kwijt zou zijn), epileren (niet met een pincet natuurlijk, dat duurt véél te lang) of de boel gewoon laten zitten.
Je raadt al wat het is geworden. Laten zitten is natuurlijk geen optie voor een zichzelf respecterende moderne vrouw als ik.
Maar terwijl ik mezelf zo stond te pijnigen zette het hele verhaal me plots aan het denken. Waar is al dat haar eigenlijk goed voor? Het evolutionaire voordeel van okselhaar ontgaat mij. En dan met name bij vrouwen. Bij mannen maakt het wat minder uit, die hebben tenslotte overal haar. Dat is mannelijk en sexy, blijkbaar. En zoals Jan-Jaap van der Wal ooit al terecht opmerkte: het is een beetje raar om overal behaard te zijn en dan ineens twee kale plekjes te hebben.
Maar het geldt het omgekeerde dan niet óók? Waarom krijgen wij vrouwen zomaar twee stukjes oerwoud onder onze armen? Denk even met me mee. Waar moet je als vrouw goed in zijn om evolutionair gezien succesvol te zijn? Ten eerste moet je je aan de lopende band voortplanten, ofwel aantrekkelijk zijn, zodat de mannen bij bosjes voor je vallen. Ten tweede moet je goed voor je kinderen zorgen, zodat ze niet vroegtijdig sterven. Nu denk ik niet dat een paar plukjes haar veel invloed hebben op de overlevingskansen van je kinderen. Blijft dus over: aantrekkelijk zijn. Maar leg me dan toch eens uit, hoe kun je als vrouw nu óóit aantrekkelijk zijn met zulke bossen onder je armen? Met van die zweetabsorberende kussentjes zodat het lekker gaat broeien en stinken?
Misschien is het dan toch dat je baby niet overlijdt aan een schedelbasisfractuur, mocht je daar ooit op de één of andere manier met je oksel bovenop belanden.
En er zijn wel honderd melodieën bij jouw gezicht. Ik weet alles nog. De dagen en de nachten, ik heb ze geteld, of je nu bij me was of ik aan je dacht. Ik zie het voor me. Hoe ik niet sliep, de liedjes neuriede die me troostten. De liedjes schreeuwde die me aan het huilen maakten. Ik herinner me de concerten waarbij ik ondertussen steeds aan je dacht. Weet je nog hoe ik die ene keer voor je zong? En toen jij optrad met je band. En vooral al die nummers die jij voor mij draaide, die leken iets met ons te maken te hebben. Alsof je me steeds weer wilde zeggen hoeveel je van me hield.
De nummers, ik weet ze één voor één. Je prachtige gezicht, het is muziek.
Zie het maar als een servies dat op tafel stond. Een heel bijzonder servies. Met vreemde vormen, mooie vormen, frutsels, heel veel kleuren, vloekende en felle. Patronen, bloemen, verrassend, onverwacht, vol details, heel speciaal. En groot. Kopjes, schoteltjes, borden, kommen, schalen, deksels, potten, kannen, vazen, een tafel gevuld. Glimmend opgepoetst en in volle glorie.
En dat dat dan, met tafelkleed en al, in één keer tegen de vlakte werd gesmeten.
Ik zit nog steeds te lijmen, uiterst zorgvuldig, maar het wordt nooit meer precies zoals het was.
De grond zakt langzaam weg onder mijn voeten.
Het is de tunnel die je zelf groef. Als een mol, hier en daar jezelf verradend met een bult zand. Molshopen waarvan ik me al afvroeg waar ze vandaan kwamen. Een keer is het op, een keer is het klaar. Het moment is daar. De tunnel stort in, jij in het nauw, en ik die niet weet wat me overkomt. Leg nu maar eens uit waar dit goed voor is, leg nu maar eens uit waar je naartoe wilt. Ik beslis zelf wel of ik meega – maar de grond in trekken laat ik me in ieder geval niet.
Het gevoel voorgoed verdwenen
jij van mij en ik van jou
blijkbaar bestaat hij niet, degene
die onvoorwaardelijk van iemand houdt
en toch zoek ik krampachtig door
ik wil niet minder, wil niet zonder
maar als jij vindt dat je bij me hoort
kunnen we werken aan dat wonder?
De oostelijke hemel vormde een mozaïek van blauwe vlakken en feloranje strepen.
Kraaien zaten in de wuivende toppen van de zwarte bomen. Af en toe vloog er eentje op, sloeg zijn vleugels uit, zweefde een rondje om vervolgens weer bij de rest tussen de takken te landen.
Die andere vliegende wezens veel verder weg, groter, log en zwaar, al uit het zicht verdwenen maar hun sporen nalatend.
Terwijl het blauw alsmaar lichter en het oranje nog altijd feller werd.
Voor het eerst van mijn leven ging ik voor mezelf naar de Ikea. Spannend.
En dat op een zondag. Dat is natuurlijk vragen om een bevestiging van de vooroordelen.
Het begon al bij de ingang. Gezellig met zijn allen op de roltrap naar boven. Een overmaat aan halve potloodjes en vooral een drukte van jewelste. Iedereen loopt je voor de voeten, geen plaats meer in het restaurant. En dan al die arme, uit materialistische drift verwaarloosde kinderen die willen worden opgehaald uit de ballenbak – wat uiteraard de hele winkel te horen krijgt.
Langzaam maar zeker werd me daarnaast duidelijk dat mijn vriend een echte Ikea-liefhebber is. Hij verslindt niet alleen de gehaktballetjes. Ik herkende de kast. Nog een kast. Tafel. Klein tafeltje. Nachtkastje, ladekastjes. Het servies. Bierpullen. De klok. Douchematjes.
Bovendien begon ik langzaam maar zeker te herkennen welke kast tot welke serie behoort. Hmm, die ladekast, dat lijkt een Hemnes. Even op het kaartje kijken en inderdaad. Nou, dan zal dat televisiekastje wel een Liatorp zijn. En jawel hoor. Om het niet eens te hebben over Expedit en Malm, die je van een kilometer afstand nog herkent.
Het leek allemaal ineens zo gewoontjes. Prima spul weliswaar maar erg spannend is het niet. Het is rechthoekig, en wit, of zwart, als je geluk hebt bruin, misschien zit er zelfs ergens een knopje of handvat aan en daarmee hebben we wel zo’n negentig procent van het Ikea-meubilair.
Je begrijpt, langzaam maar zeker werd ik een beetje Ikea-beu. Ik heb het nodige gekocht, en voldoende kennis opgedaan om mensen uit te kunnen lachen omdat ze alleen maar Ikea-spullen in huis hebben. Nu wil ik naar de kringloopwinkel. Spannend!
Het doet me denken aan jou. Als ik er naartoe fiets, als ik de tuin in rijd. Als ik de sleutel omdraai en naar binnen loop.
Het ruikt naar jou.
Hoe het eruit ziet. De kapstok, het toilet. De kale muren, waar vorige week nog jouw spullen stonden. Die me doen herinneren hoe we samen zaten op de bank, samen kookten, samen aten. Waar ik mijn spullen neerlegde, waar ik huilde. Waar het bed stond waarin we sliepen, jouw warmte tegen mij aan.
Alles weg. Niet alleen de spullen maar ook jij. Nu is het hier van mij. Wat gek.
Zijn hand op mijn knie, mijn handen op de zijne. Het is stil. Hij slaapt. Ik kijk naar zijn prachtige gezicht en denk aan wie hij is.
Een traan blijft steken in mijn ooghoek. Koud en nat. Telkens als ik met mijn ogen knipper plakken mijn wimpers even aan elkaar. Het tintelt. Tenslotte droogt de traan op. Het beetje zout dat overblijft trekt zachtjes op mijn huid.
Hij heeft niks in de gaten. Dat hoeft ook niet. Als er iets was zouden mijn tranen wel harder vloeien. Dat is al veel te vaak geweest.
Het is maar gewoon dat ik soms weer besef hoeveel ik om hem geef.