Op het busstation werden gratis koekjes uitgedeeld. Nouja, uitgedeeld? Overal neergegooid. Iedereen graaide maar raak. De stoep lag ermee bezaaid: platgetrapte biscuits, lege verpakkingen, halflege verpakkingen, volle verpakkingen.
Een jongen die een zitplaats zocht schoof vier volle pakjes die op een bankje lagen zonder pardon op de grond. Weer een paarhonderd gram voedsel gedoemd om in de afvalbak te belanden. Twee meisjes vonden de koekjes niet lekker en begonnen ermee naar elkaars hoofd te gooien.
Ik snap dat niet. Dat grote producenten zulke acties houden als mensen zo respectloos met hun producten omgaan. Het is wel voedsel. Voor de producent en velen van ons slechts geld – en dan nog begrijp ik het niet – maar voor miljoenen mensen die wij niet kennen is het een leven.
Op zo’n moment weet ik dus niet wat ik moet doen. Weigeren aan zoiets deel te nemen of redden wat je redden kan?
In twijfel nam ik het middenpad. Het stomste wat ik kon doen. Ik knikte vriendelijk toen een van de uitdelers me zo’n pakje in de handen drukte. Inclusief flyer, daar heeft al helemaal niemand wat aan. Ook nog een boom naar de galemiezen geholpen.
Met mensen als mij gaan die producenten zeker niet met hun acties stoppen.
(Maar ik heb ze tenminste wel opgegeten, die koekjes.)
Ik heb nog voor dagen tranen. Ik weet het niet precies, hoeveel ik heb gespaard in de afgelopen maanden. Al die keren dat ik me moest verbijten, dat ik niet kon omdat niemand het mocht zien, of dat iedereen het zag maar er niemand voor me was. Dat ik mijn eigen hand maar pakte.
Er is niet veel wat ik nog wil, geef mij maar armen om me heen en een bed waarin ik daarna eindelijk kan slapen. Dan kan het verdriet pas weg. Troost me alsjeblieft nog wat vaker, zodat ik het allemaal eens achter me kan laten.
Hij ligt naast me te slapen, de lieve schat. Hij wel, ik niet. Weer niet. Het bed is warm, het kussen zacht en toch duurt de tijd zo lang hier, altijd.
Midde in de nacht
lig ik wakker met mien oege oap
’s mergens bin ik muuj
midde op de daag
val ik in sloap
ik ken meejzelf al lang
als ik goj denke wat gebeure kan
maak ik meejzelf bang
Ik maak mezelf bang, veel te vaak. Maar deze nacht niet, hoe lang het ook nog duren mag. Ik kijk naar hem. Zo dichtbij. Ik wil niet meer verdrietig zijn, niet nu. En ik ben blij dat ik hier ben.
’s Nachts um half 3
denk ik liefde is neet alles wille wiete
en dat helpt meej vur zolang
als ik doar an denk, en ik denk
ik kan d’r niks an doon
zoeals nou bin ik altied gewest
ik deej ’t anders als ik kon
umdat ik t vur meejzelf verpest
De zinnen klinken in mijn hoofd. Het is net genoeg. Ik houd me sterk. Schreef Jack dit soms speciaal voor mij?
Inens, dan huur ik ’n geluid
ik hald de oajem in en wacht
klok sluut half drie, midde in de nacht
roop ik liefde is, neet alles wille wiete
en dat helpt meej vur zolang als ik doar an denk
um half drie zij ik mien zurg op de rotse spliete
en al mien ergste droeme stroeme weg van meej
nar ’t licht, oege half oap, dan is d’r wir hoap
dan val ik in sloap
(Fragmenten: Jack Poels – Hemel op Aarde, Rowwen Hèze, 2013)
We fietsten samen in het donker. Het was niet eens zo laat, maar we hadden te veel gedronken. Ik, te veel gedronken, en het gaf niet. Want ons gesprek was fijn en serieus. Hij vertelde me dat hij het niet begreep, dat ik altijd alleen was geweest.
We konden niet meer stoppen steeds maar weer te zeggen:
“Je bent lief.”
“Jij ook.”
Zo slingerden we maar. Totdat, ineens, onze sturen haakten in elkaar. Ik gilde nog maar het was al te laat, ik lag op de stoep, geschrokken, tranen in mijn ogen, nog niet wetend wat me was overkomen.
“Schatje, gaat het, waar doet het pijn?”
Ik zat op een natte stoep, zag niet waar ik naar keek en voelde alleen zijn armen om me heen.
Zo fijn.
Hij hielp me overeind. Ik liet mijn handen zien. Geen bloed, ik was nog heel. En toen we elkaar omhelsden zei hij plots:
“Om je gerust te stellen, ik heb wel meerdere relaties gehad, maar zoals met jou heb ik het nog nooit meegemaakt.”
Dat was het mooiste wat ik ooit had gehoord. Meer dan ooit in me op was gekomen. Ik barstte in tranen uit van geluk.
En toen stonden we daar. Huilend midden op de straat, blauwgebutst, een beetje regen, fiets kapot en dronken maar vooral verliefd. We kusten elkaar.
Het enige wat ik wil is dichtbij je zijn,
kan me niet schelen waar en hoe of wat er allemaal nog moet.
Ik wil je armen stevig om me heen,
je lippen lieflijk op de mijne,
voel daarvan de eindeloze kracht maar eens.
Dat is alles wat ik nodig heb, gewoon eventjes, zo af en toe
om voor altijd te kunnen blijven.
Zoals gewoonlijk te vroeg wakker, stinkend, met een verwrongen lijf. Maar dat is nog niet alles. Want het nieuwe album kocht ik daar ook, en het ligt te wachten op mij.
Wat prachtig, wat een genot. Ik denk weer hoe ik daar stond. Bestond die wereld maar echt, leefde ik dat leven maar. Het leven uit die liedjes, het is zo prachtig warm en volmaakt, niet te perfect, niet te slecht. Ik leef het in elk geval één avond per jaar.
Ik huil als ik het laatste liedje hoor. Niet van verdriet. Het is gewoon te mooi. Vertaal de tekst naar het Frans, verwerk het in Amélie en niemand hoort dat het niet van Yann Tiersen is. Dit kunnen ze dus ook al: filmmuziek.
Langzaam wordt de slaap lichter. Het hoofd is nu al in protest. Nog donker achter het gordijn, te vroeg, veel te vroeg. Hoe lang zou het geleden zijn? Dat ik lekker uitgeslapen heb? Eén maand, twee maanden, drie? Waar heb ik dit aan verdiend?
Te veel gedacht. Nu is het te laat, nu ben ik wakker. Ik kijk op de klok. Veel te vroeg. Ik moet slapen, anders haal ik het niet, maar hoe?
Ik draai me om. De ogen worden weer zwaar. Zwaarder. Een geluid. BONK, bonk, bonk, bonk. Dat is mijn hart. Niet doen, doe dat nou niet. Ogen vallen weer dicht. Nog een geluid. Zo gaat dat een paar keer door. Totdat ik toch in slaap val, lichtjes, voor heel even. En dan begint het tintelen, in mijn vingers, handen, heel de armen. Slaat het hart zwakjes in mijn borstkas alsof hij het op wil geven. Word ik weer wakker, waarom toch steeds dat hyperventileren? Ik draai me om, probeer het nog een keer, en nog eens, en nog wat vaker, maar het heeft geen zin.
Als een zombie stap ik uit bed. Hoofd zwaar, het hart van streek, de armen week.
Was ik nou maar gewoon meteen opgestaan.
Een vrouw huilt. Niet geslapen, lauwe douche. En vervolgens aangewezen op haar spiegelbeeld: rode ogen, rode mond. Onder het bleke vel telt zij haar eigen ribben, het scharminkel.
Een handdoek doelloos in haar vuisten geknepen, ze wordt alleen maar natter van de tranen die ze laat, nu ze zichzelf in deze toestand ziet.
Ze kan hem zo zien staan, achter haar. Oog in oog via het spiegelglas. Zo’n prachtig paar. Ze kan zijn warme handen voelen op haar koude huid. Dat ze hem alles gunt en alles geeft. Zo kwetsbaar als ze durven zijn, dat ze minutenlang zouden kunnen kijken naar elkaar.
Maar hij is er niet, niet nu, niet hier. En dan blijkt dat ze zichzelf leeg achterliet.
Als zij toch eens wist wat haar verlangen haar vertelt, als zij toch eens wist waarom het niet genoeg is dat hij ook bij haar wil zijn.
Er is geen weg meer terug, want ze weet hoe waardevol het is wat ze nu heeft. Maar hoe het haar vooruit brengt begrijpt ze stomweg niet.