Het gebeurde toen ik op de bank zat. Er bewoog iets in mijn ooghoek, buiten achter het raam.
Het was water. Water! Splash. Splash. Splash.
Hij was terug! Ik rende naar buiten en omhelsde Hapsel.
Nee, natuurlijk rende ik niet naar buiten. Hapsel omhelzen is levensgevaarlijk en bovendien ijskoud. Naar Hapsel kun je beter kijken. Kijken hoe hij zijn territorium afbakent met zijn schuine mond. Hoe hij angstige blikken vangt van fietsers, maar eigenlijk net niet op het fietspad sproeit. Hoe de schemer over zijn sissende kop valt, hoe hij zich aan zijn rubberen staart naar achteren laat trekken door het veld, heel langzaam, en tenslotte midden in de nacht in slaap valt.
Hij kent zijn eigen kracht niet, maar oh, het is zo’n lieverd.
De sleutels brandend in mijn zak. Een raar idee, dat ik zo’n grote verantwoordelijkheid bij me droeg in de vorm van zo iets kleins, iets wat je zo makkelijk kunt verliezen of kwijtraken. Maar ik zorgde wel dat ik zeker was dat ze er nog waren. Ik liep nog maar wat harder.
Voor de deur hield ik stil en pakte de juiste sleutel. Ik voelde de ogen van iedereen op straat in mijn rug prikken. Een meisje dat de deur van zo’n groot gebouw openmaakt, wat zou daar achter gaan? Wie is zij?
Ik zette de deur open en liep de hal in. Even dacht ik dat ik, door de geluiden van de straat heen, gezang hoorde. Voorzichtig opende ik de tweede deur.
Donker, leeg en vooral stil. Natuurlijk was er geen echt gezang, als er mensen binnen zouden zijn, waarom had ik dan een sleutel? Elk gebouw draagt de geluiden bij zich die het toekomt. Ik liep de dagkapel door en opende de glazen deur. De kerk leeg, het groene licht dat door de ramen op de rijen van stoelen en banken viel. De geur van hout, stenen en wierook.
Huis van God, maar zo zie ik het niet. Huis van inspiratie, dat is het voor mij wel. Ik heb me nauwelijks ergens in mijn eentje zo op mijn gemak gevoeld als op dat magische moment dat ik in de hoek van de kerk stond, me verbazend over de kalmte die je kunt vinden midden in de stad, met een glimlach om mijn mond. Blijkbaar is de kerk ook een thuis.
Ze had zich nog nooit zo vrij gevoeld als in de minuten nadat ze hardop nee had durven zeggen.
“Freedom” was het woord dat zich, schrijnend genoeg, steeds weer door de ruimte had geboord. Terwijl hij haar in zijn greep had, haar strak aankijkend, beide armen om haar heen geslagen.
Gevangen in een wereld van betekenis, van lading en emotie, een wereld zonder luchtigheid, zonder lucht. Wurgend.
Die greep had haar mond eindelijk geopend, en happend naar adem, al wist ze niet meer hoe, had ze het gezegd. De woorden blijkbaar precies goed uitgesproken.
De beklemming vloeide weg van haar hals, weg uit de ruimte, weg uit de muziek. Ze maakte zich volledig los en was zich plotseling bewust hoe licht ze was zonder het gewicht van een ander. En ze danste heel de nacht, als het individu dat ze altijd geweest was, maar nu triomfantelijker.
Lijn 6 is berucht. Onder schaatsers bijvoorbeeld. Er zijn heel wat schaatsers die aan den lijve hebben ondervonden dat je, wat er ook gebeurt – al hebben de Duitsers een bom gelegd onder de Graafsebrug – nooit en te nimmer lijn 6 moet nemen naar de ijsbaan.
Daar zijn twee redenen voor. Ten eerste de dienstregeling, want lijn 6 cirkelt door heel Nijmegen Zuid en dat duurt bij voorbaat al langer dan een half uur wachten op de eerstvolgende rechtstreekse bus. Maar alsof dat nog niet erg genoeg is, komt de bus vanuit Nijmegen West. En in Nijmegen West wemelt het van de bejaarden.
Wie denkt dat krijsende baby’s, hangjongeren of drugsverslaafden het busvervoer terroriseren heeft het mis. Het zijn bejaarde vrouwen. Hun geheim: ze handelen nooit alleen, maar nemen in grote bendes de bus om vervolgens het leven van hun medepassagier zuur te maken.
De eerste keer dat ik lijn 6 pakte – niet om naar de ijsbaan te gaan – was de bus meteen al een kwartier te laat. Vervolgens stapte ik in een bus gevuld met dames op leeftijd. Ik begreep het meteen. Zoveel oude vrouwen, voordat die eens binnen zijn. De ene staat een kwartier de ov-chipkaart voor het schermpje van de kaartlezer te houden. De volgende wil alle haltes weten, want anders loopt ze niet verder. Een uur in het handtasje zoeken naar een halve euro. En ondertussen natuurlijk flink tegen de buschauffeur klagen over zijn eigen collega’s, het weer en het feit dat er zojuist weer een jongedame langs liep met gaten in haar broek.
Niet lang geleden nam ik lijn 14. Lijn 14 heeft 2 haltes gemeenschappelijk met lijn 6. Tot mijn grote spijt, want bij de eerste halte stond een hele groep bejaarden met hun seniorenkaart te zwaaien. “Buschauffeur, gaat deze bus naar de Molenweg?” Als het antwoord nee is toch met zijn allen instappen, heel lang twijfelen en uiteindelijk schreeuwen: “En waar blijft lijn 6 dan meneer? Waarom komt lijn 6 niet opdagen?”
Nou, omdat er een paar van die wijven als jullie de boel op staan te houden. Maar dat zei de buschauffeur natuurlijk niet hardop. Hij haalde zijn schouders op en kon niet anders dan wachten tot al die hartritmestoornissen weer naar buiten geschuifeld waren.
Alsof dat nog niet erg genoeg was, herhaalde precies hetzelfde tafereel zich bij halte twee. En dat terwijl ik mijn trein wilde halen.
Verstoring van de openbare orde, dat is het. Opsluiten dat gespuis.
Er werd over gesproken, er werd over gepraat.
Weg.
Sluiten.
Afbreken.
Ik pakte mijn fiets en reed naar het station.
Klimop op de oude muren, mensen wachtend in de zon.
Er stopte een trein.
Niets leek anders dan anders, maar toch was het al veranderd.
In ons dorp begon de oorlog pas echt na de bevrijding. Een gevecht dat iedere bewoner voeren moest. Het gevecht tegen de muur, maar het meest misschien nog wel tegen jezelf. In twee delen werden we gesplitst, zoals Berlijn, alsof we twee verschillende volken waren. Tegenstanders. Zelfs lachen naar mijn voormalige vrienden was verboden.
Op de dag dat de muur gebouwd werd dacht ik dat de zon nooit meer zou schijnen. Maar hij scheen al die jaren, op de houten muur, op het prikkeldraad, op het beton en uiteindelijk op de metalen hekken. Hij scheen in mijn oosten zoals in het vrije westen en zoals hij altijd geschenen had.
Mijn leven werd langzaam ingenomen door de soldaten. Door hun ogen, waarvan ik altijd wist dat ze op mij gericht waren als ik in de buurt van de muur liep. Ik telde de passen af, iedere dag opnieuw. En elke dag keek ik angstvallig de andere kant op, naar het oosten, of naar de grond. Alles om maar niet de indruk te wekken dat ik ook maar iets van plan was. Zo bang was ik, bang dat ze me zouden komen halen.
En elke maand gebeurde het wel een keer dat we ’s nachts het geblaf van de honden hoorden, en het geratel van de geweren. De zoveelste vluchtpoging, waarschijnlijk mislukt.
Pas veel later realiseerde ik me dat die soldaten ook mensen waren. Mensen uit míjn land. Wie had ze ertoe gebracht dat ze konden schieten, schieten op hun eigen volk? Doden, koud als machines? Kenden ze zelf geen angst?
Wij zijn bang voor ze geweest, maar de angst die zij voor zichzelf hadden was vele malen groter. Ook na de DDR-tijd heb ik geen van hen ook maar één keer met een lach rond de lippen gezien.
Ik kijk nooit vrijwillig naar het Eurovisie songfestival. Wel onvrijwillig. Bijna altijd zelfs, want in dit huis ontkom ik er niet aan. Maar in ieder geval heb ik dan wel elk jaar weer een reden om een klaagblog te schrijven.
Zo stond dus ook gisteravond de televisie aan. Al surfend over het internet zat ik het een beetje aan te horen en al had ik mijn aandacht er niet bij, toch viel me iets op. De kwaliteit van de nummers was namelijk hoog, en de hoeveelheid poespas was klein. Sterker nog, vals zingen of in kutpakjes rondlopen bleek door de kijker gewoon keihard te worden afgestraft, in tegenstelling tot andere jaren.
Ik denk dat de vogels van verbazing van het dak gevallen zijn.
Zou het moment waar ik al jaren op wacht daar zijn? Zou het songfestival eindelijk een leuke wedstrijd worden met goede muziek? Ik ga er zaterdag voor zitten. Vrijwillig.