Ik ben niet van het dorstige type. Al zéker niet als het om bier gaat, al zou je dat misschien niet zeggen als je me vraagt wat mijn favoriete muziek is. Ik heb een gevoelige maag. Bier ligt mij veel te zwaar. En van koud drinken wordt mijn maag al helemaal niet blij. Wat overigens wel lekker goedkoop is bij het uitgaan.
Als ik naar Rowwen Hèze ga heb ik gelukkig een medestander. Mijn zus en ik delen onze drankjes, want een hele van dat spul met ijsklontjes is ons eigenlijk al te veel (ik háát ijsklontjes). Zo ook gisteravond. We hadden drie muntjes gekocht, want we komen meestal slechts met tegenzin verder dan dat bij een optreden. Er was alleen één ding waar we geen rekening mee hadden gehouden: de hitte. Het komt wellicht doordat we gebruikelijk in april en november naar Rowwen Hèze gaan. De temperatuur in de tent is dan aangenaam en na het optreden koel je zelfs gevaarlijk snel af. Hoe anders was het gisteravond. Na twee nummers was ik kleddernat en kapot, werkelijk kapot. Maar als je favoriete band voor je neus staat is er helemaal geen tijd om kapot te zijn, dus natuurlijk ging ik gewoon door met zingen, dansen en springen.
Alsof die hitte nog niet erg genoeg was bleek bovendien waar wat ik al vreesde: een wat korter optreden dus geen pauze en bijna alleen maar snelle nummers. Zowel mijn energieniveau als mijn stem zakten naar het absolute nulpunt – in tegenstelling tot de temperatuur uiteraard – waardoor ik besloot tóch maar drinken te gaan halen tijdens De Peel In Brand. Enorm tegen mijn principes in (zo’n mooi nummer!) maar tijdens de heftige nummers kom je niet door de beukende massa heen.
Na het optreden nog een glas delen en dat werd mijn maag alweer bijna teveel. Wel goed dus, dacht ik, en we vertrokken richting station. Onderweg kwamen we echter een friettent tegen en ik kon alleen maar smachtend kijken naar de kaart met ijsjes. De man achter de bar nog net niet om de hals vliegend kocht ik een Slush Puppy, iets wat ik nóóit doe maar ik had dit zo hard nodig, tegen alle protesten van mijn maag in. Het hielp gelukkig goed tegen mijn loeizware bovenbenen.
Eenmaal thuis werden er nog een bak meloen, een glas water en een glas melk achteraan gegooid. Dat wordt halverwege de nacht het bed uit om naar de wc te gaan, dacht ik, maar niets bleek minder waar. Toen ik om 11 uur wakker werd hoefde ik nog steeds niet. Ik had alleen maar dorst, heel veel dorst.
Zo brak een dag aan van een droge strot en liters water drinken. Mijn lichaam lijkt wel een spons. Maar ik geloof dat ik (14:26u) eindelijk moet plassen. Jezus. Ik had wel dood kunnen zijn.
In de botanische tuin liggen stenen, een hele hoop. Letterlijk hè. Een metershoge bult van stenen en planten en water dat naar beneden klatert. Het geeft je een vakantiegevoel.
Op één van die rotsblokken staat het een en ander geschreven. Mensen hebben flink in het ding zitten krassen. Heel veel mensen, want als er één schaap over de dam is volgen er meer. Je kent dat wel, “Jantje was here” en “I love Pietje”, maar dan voor de afwisseling in een rots gekrast. Het heeft iets weg van hiërogliefen of Romeinse cijfers. Iets ouds.
Ik houd van oude geschriften. Hoe ouder, hoe beter. Ze vertellen iets over heel vroeger, maar wat? Niemand weet dat zeker. Misschien prachtige verzonnen verhalen, misschien de waarheid. Misschien was het wel boter, kaas en eieren. Een fantasietaal. Of de weg naar een bijzondere schat.
Maar toen ik dat rotsblok in de botanische tuin zag was het romantische idee wel min of meer verdwenen. Het grootste deel van wat mensen op muren en vloeren schrijven is niet bijster intelligent. Zijn hiërogliefen dan gewoon de voorouders van “I was here” en “wjnmk”? De graffiti en permanent markers van vóór de jaartelling?
Vandalisme is het. En dat noemen wij dan beschaving. De straattaal van de steentijd.
Het is echt waar. Ik sta op Youtube.
Misschien herinner je je het stukje nog wat ik in maart schreef over een kooruitvoering, misschien ook niet, maar je zou het altijd nog eens kunnen nalezen – het is niet eens lang: Staan hier
En hier vind je de opname die ervan gemaakt is. Eindelijk, want dat het zo lang duurde daar kon ik natuurlijk niks aan doen (ik doe dingen altijd heel snel. Altijd!) Het is dan ook niet mijn schuld als je door mijn blog onbedoeld in een paasstemming komt. Mocht dat toch gebeuren, bedenk dan eens dat het toen nog vroor en wees dus extra blij met het zomerzonnetje dat al een paar dagen schijnt.
Wat ik schreef gaat – zoals vanzelf duidelijk wordt als je goed gelezen hebt – over het laatste lied, en tevens het enige wat in zijn geheel op het filmpje staat, zoals ik hoopte :)
De conclusie van dit warverhaal: het is heel mooi. En ik kan heel lelijk kijken als ik zing.
In de trein eindig ik op een stoel schuin tegenover een glazen deur. Ik sla mijn benen over elkaar en zie dan mijn rechterbeen weerspiegeld in de deur over het linker hangen.
Wat een dun been eigenlijk. Best mooi. Leuke schoenen ook trouwens. Maar vooral die lengte-breedteverhouding van mijn onderbeen lijkt vanuit deze hoek best bizar. Ben ik echt zo slank?
Meestal valt het me niet op als ik in de spiegel kijk maar het is natuurlijk zo dat ik mijn hele leven al dun ben geweest. Ik kon alles eten. Iets minder dan een jaar geleden ben ik echter gestopt met zomaar alles naar binnen stoppen omdat ik er toevallig zin in heb, of niet eens, maar gewoon omdat het voor mijn neus staat. En daardoor ben ik drie kilo afgevallen.
Voedsel speelt een vreemde rol in onze maatschappij. Te veel eten wordt niets als iets positiefs gezien. Tenminste, als je er dik van wordt, want dat is ongezond en past niet in het modebeeld. Maar wat nu als je dat niet wordt? Dan rept er niemand over. En dat vind ik raar. Want behalve dat het evengoed ongezond is, is te veel eten vooral weinig respectvol tegenover al die mensen op deze wereld die ’s morgens met honger wakker worden en ’s avonds met honger weer gaan slapen. Ongeacht je gewicht.
En ik begrijp wel dat mensen er niet over nadenken, als je kijkt hoe het voedsel hier voor het oprapen ligt, hoe het soms met kilo’s tegelijk in de afvalbakken verdwijnt. Maar ik ben er om wat voor reden dan ook wel over na gaan denken en tot de conclusie gekomen dat er iets moet veranderen. Ondanks dat niemand mij raar aankijkt of op me moppert maak ik me wel degelijk ergens schuldig aan.
Dus in mijn huis wordt geen voedsel meer weggegooid. En ik eet minder. Dat is waarom ik trots ben op de drie kilo die ik verloren ben. Niet omdat mijn benen nu een onzichtbaar pietsje dunner zijn; dat dun zijn in de mode is is slechts een bijkomend voordeel. Bovendien schijnt het dat mannen niet houden van een mini-cupmaat als de mijne, maar het is nou eenmaal het één of het ander – ik doe niet aan implantaten – dus de uiteindelijke balans is waarschijnlijk in het nadeel van mij als toch-al-eeuwige single. Maar dat kan me niet schelen.
Drie kilo is helemaal niet veel maar daar gaat het ook niet om. Calorieën die ik minder eet blijven nu hopelijk over voor iemand die ze hard nodig heeft, en natuurlijk werkt het niet direct zo maar als iedereen zo zou handelen, dan zou het wel degelijk een verschil maken. Dan zouden we geen drie aardbollen nodig hebben om voor iedereen “genoeg” voedsel te kunnen verbouwen, als je de behoeftes van de hele wereldbevolking berekent aan de hand van de huidige westerse standaarden.
Thuis aangekomen had ik zo lang onbeweeglijk naar mijn pracht van een rechterbeen zitten staren dat er geen bloed meer in zat en ik een beetje mank de trein uit moest. Dat was natuurlijk mijn straf voor al die ijdelheid.
En toch hoop en vrees ik dat er een kern van waarheid in mijn gedachtegang zit.
Toen ik de bladzijde omsloeg en mijn oog bij toeval op die naam viel schoten de tranen meteen in mijn ogen. Die letters. Na al die tijd. Ze veegden langzaam uit onder mijn wijsvinger terwijl ik mijn verdriet weg probeerde te slikken, probeerde te denken aan het simpele feit dat ik op zoek was naar het telefoonnummer van mijn tandarts.
Maar de pijn in mijn maag trok niet zomaar weg en hoe kon het ook anders, het verdriet van toen was niet verdwenen in de tijd. In tegendeel. De jaren hadden uitgewezen wat ik gedaan had. Dat ik een tweede kans nooit meer gekregen had.
Ik dacht aan zijn gezicht. In eerste instantie was hij me niet opgevallen, maar toen ontdekte ik zijn glimlach. Een glimlach die nauwelijks ooit iemand van hem kreeg. Behalve ik. En zo mooi. Ik had het zeker geweten, aan alles gezien: hij hield van me. De manier waarop hij me benaderde, waarop onze vriendschap zich langzaam ontwikkelde, eindelijk had ik iemand gevonden. Het was perfect, zoveel als we op elkaar leken en hoe we elkaar begrepen. Perfect en tegelijkertijd een probleem: hij was net zo verlegen als ik. En hoe dichter we bij elkaar kwamen hoe meer we elkaar ook hadden ontweken. Hoe meer we onze eigen signalen uit probeerden te wissen om maar niet te verraden wat we eigenlijk voelden. Zo bang om elkaar te verliezen als het allemaal toch niet waar bleek te zijn.
En toen moest hij weg. Halsoverkop.
Ik dacht aan die oude telefoon met zijn koperen draaischijf. Ik had op het punt gestaan om hem te bellen, met de zware hoorn in mijn hand. Als verlamd. Ik durfde niet.
Een jaar later verloofde hij zich met een ander. De enige hoop die ik ooit gehad had verbrijzelde voor mijn eigen ogen, ik had het gewoon laten gebeuren.
Ik was hem nog één keer tegengekomen, in Amsterdam, met zijn vrouw. Per toeval. Ik durfde niks te zeggen maar de halve seconde waarin onze ogen elkaar vonden was genoeg om zijn spijt te zien. En toch zou hij zijn vrouw nooit voor mij verlaten hebben, daarvoor leek hij te veel op me. We zouden beiden altijd de verantwoordelijkheid nemen voor de keuzes die we hadden gemaakt.
De verantwoordelijkheid die sinds toen mijn enige metgezel was. De verantwoordelijkheid die me ook nu gebood mijn tranen weg te vegen en het boek weer dicht te slaan. Met lege handen verder te gaan, al wist ik niet voor wie.
De straat in de schemering. Ik loop tegen de wind in na een prachtige avond. Mijn haar waait uit mijn gezicht, prettig, alles lijkt perfect. Lijkt, want het is hier te stil. Zo veel stiller dan in mijn hoofd, waar ik nog steeds het laatste liedje hoor. Een heel koor.
Ik weet dat ik de leegte kan vullen met mijn stem. Maar ik durf niet. Nóg niet, want ooit komt de dag dat ik hier lak aan heb. En gewoon gelukkig ga zijn, midden op straat.
“Ooh, when I’m old and wise
bitter words mean little to me
I’ll sing although the winds blow through me”
Ik stootte hem lachend aan met mijn arm. Het gras kraakte onder die beweging. “Je bent gek.”
Hij stootte terug. “Jij ook!”
“Dat is waar.” Het was even stil. “Maar jij bent gekker”, zei ik toen ontdeugend en ik prikte in zijn zij.
“Niet doen!” Hij ging een stukje verder van me af liggen. Ik prikte natuurlijk nog een keer.
Voor ik het wist zat hij bovenop me, zijn handen steunend op de mijne, boven mijn hoofd. Ik kon geen kant op.
“Wat wil je nou eigenlijk?”
Hij dacht even na en keek me geheimzinnig aan. “Een kus”, was zijn uiteindelijke antwoord.
Ik lachte. “Ik kan me niet bewegen, dus heb ik een keus?”
Ze ontwaakte van het ochtendlicht op haar gezicht.
De houten wanden herinnerden haar iedere morgen aan wat haar hier gebracht had. En ze dacht.
Ze schoof de lakens weg en keek naar buiten. En dan wist ze weer dat ze altijd weer perfectie vond in wat een nieuwe dag haar bracht. De bladeren van het bos in de zon. En dat ze steeds weer hoopte dat een man haar zo zag, iemand waarin ze ook iets vinden kon.
Het leven had haar dan wel gehard, maar je kan niet altijd wegrelativeren wat je niet had. Wie was ze dan, als ze niet van een man kon houden? Ze voelde dat ze alles in zich had wat haar menselijk maakte, dat ze weg moest, niet altijd alleen kon blijven hier.
De grote stationsklok springt op negen over elf. Dat het eigenlijk kwart voor vier is doet er niet toe.
De trein staat stil in het zomergroen. Wagonnen in de kleur van de Deutsche Bahn, crèmegeel met donkerrood. En mensen verdringen zich achter de ramen, hoofden hangen naar buiten. Fotocamera’s klikken.
De zon valt op het zilvergrijze pak van de – overigens prachtige – bruidegom, die uit zijn Dampfzug stapt. Zijn blik leidt via het idyllische lage perron, aan de zijkanten begroeid met keurig gemaaid gras, naar de – overigens ook prachtige – bruid. De bruid die in de verte op hem staat te wachten, met haar vader. Een grote witte parasol zweeft boven haar hoofd, zilveren bruidsboeket, haar lange witte jurk licht op in de zon.