Het gebeurde toen ik mijn fiets op slot probeerde te zetten. Ik porde mijn sleutel haastig in het toch al niet zo soepele kabelslot en draaide. Dat voelde raar. Heel raar. Verkeerd. Ik keek naar de sleutel die maar half in het slot had gezeten. Verbogen. En gescheurd. Als ik daarmee nog zou proberen mijn fiets op slot te zetten, zou ik het slot er waarschijnlijk nooit meer af krijgen.
Er zat niets anders op dan mijn fiets zonder kabelslot laten staan. Maar een fiets in Nijmegen zonder tweede slot, dat kan écht niet. Gelukkig heb ik mijn vader om dit soort problemen op te lossen. Hij vond een cijferslot. Helaas kon hij de cijfercode niet meer terugvinden tussen zijn stoffige hersenspinsels, wat hij zich pas bedacht toen de winkels al dicht waren. En dat terwijl ik die middag bij de Gamma was geweest. Na een hoop gepruts met geboortedatums, telefoonnummers en onderbuikgevoelens moest de conclusie zijn dat dit niet ging lukken.
Maar er móest en zóu een nieuw slot komen, diezelfde avond nog, zodat ik zonder zorgen naar mijn feestje kon gaan. En na heel lang zoeken in de schuur kwam er dan toch een stoffige verpakking tevoorschijn – met daarin een gloednieuw kabelslot. Oké, nieuw zag hij er niet helemaal uit, want er groeide schimmel op. Ik weet niet hoe schimmel groeit in een dichte plastic verpakking, maar in ieder geval: dat poets je er wel af.
Bij het kabelslot zaten twee sleutels. Goh, dacht ik ineens, zou er bij mijn oude slot dan ook een reservesleutel zitten? Ik keek in het sleutelkastje. En daar hing hij.
Oplossingen voor je problemen komen liefst in vreemde gedaantes.
Minutenlang keek hij toe hoe ze gelaten in de schemerende verte staarde. Haar hoofd leunend tegen het treinraam.
Roerloos. Wat bewoog, was slechts haar borstkas, rustig en regelmatig alsof ze sliep. Maar haar waterige blik verraadde hoe anders het was, de natte wimpers aan elkaar geplakt. Kaken op elkaar gebeten. De gezwollen aderen op haar slapen, de vuurrode lippen en de mondhoeken hangend. Het glimmende spoor op haar wang van de traan die ze liet.
Die ze onderging.
Minutenlang.
En toen, ineens, richtte ze haar hoofd op en keek ze hem met diezelfde natte ogen recht aan. Alsof ze zeggen wilde:
‘Dit ben ik. Dit is mijn verdriet. Ik neem het, maar ik laat het niet.
Neem me, of laat me.’
Ze legde haar hoofd terug tegen het raam, en nam haar oude houding aan, alsof er niets gebeurd was.
Hij slikte.
Hij zat daar opeens, de buizerd, op een zondagochtend.
Recht voor ons huiskamerraam.
En sindsdien is hij ook niet meer weggegaan;
loop ik ’s avonds over straat,
ziet hij me met zijn haviksogen altijd wel, vroeg of laat.
En pas als hij opvliegt heb ik pas in de gaten dat hij er nog is,
weer op zo’n paaltje moet hebben gezeten.
Dertig zangers en zangeressen en een altaar. We staan in een halve cirkel, sluiten het publiek niet buiten. Maar we zingen naar de hemel, geleid door de dirigent, die ook de componist is, met al zijn mimiek.
De muziek sleurt mij langs zijn emoties. Verdriet. Zie mij staan hier, zie míj toch staan hier. Angst. Hoop, de hoop opent mijn blik op wat zich hier afspeelt, de pijn die door de kerk trekt als resultaat van al deze symboliek, van prachtige woorden en fortissimo in mijn stem en al die stemmen rondom mij. Ik vergeet niet te genieten, maar het gaat zo snel.
Verlorenheid, een laatste aangrijpingspunt dat ons tenslotte tot bedaren brengt. We eindigen bij het besef. Acceptatie. Maar vooral nederigheid, nederigheid naast hem, hij die stierf voor het volk.
Een man strompelt tijdens die laatste snik naar het altaar, reikt zijn hand uit en legt een roos, half gooiend. Tranen schieten in mijn ogen.
Mijn potlood zweefde boven het papier. Ik twijfelde. Het vel was zo prachtig wit, eigenlijk kon ik het alleen verpesten.
Maar ik troostte mezelf met het feit dat er in de doos naast me nog wel driehonderd van die blanke vellen lagen. Met de zelfingesproken moed op de punt van mijn potlood begon ik te tekenen.
Ik deed mijn ogen dicht en liet mijn hand leiden door mijn gedachten. Tenslotte had ik precies gedroomd hoe het worden moest. De schaduwen, het perspectief, ik tekende wat de natuur me ingaf.
Toen ik wakker werd en mijn ogen open deed lag voor me het oerwoud van lijnen. Hoe ik het ook draaide, het leek geenszins op het bos dat ik voor ogen had.
Maar het was prachtig.
Het bos kent vandaag louter zwart en wit. Ik dacht dat de winter wel afgelopen zou zijn, maar dat dacht ik al zeker vier keer. Totdat ik steeds de vlokken weer op me neer zag dalen. Het sneeuwde hier vandaag zo lang, dat het land de strijd uiteindelijk opgaf en maar wit werd ook. En mooi is het. Alleen, de wind is zo koud als je op de lente rekent.
De sneeuwklokjes zijn er weer bij gaan liggen, en daardoor met een laagje sneeuw bedekt. Het is nu pas dat ik begrijp wat voor slim staaltje natuur dit is, want onder de sneeuw zal de temperatuur niet veel verder dalen dan het vriespunt.
Als over een paar dagen de zon weer schijnt, komen ze vanzelf weer overeind.
Ik tel mijn stuivers en dubbeltjes. Met die ene stuiver die ik vond precies genoeg om een appel te kopen, nu ik mijn flesje met water vergeten heb.
De appel is een beetje zuur. Echte geluksdubbeltjes bestaan allang niet meer. Nee, ik vind niet dat ik de afgelopen week geluk heb gehad. Het begon op maandag; een stom misverstand en ineens kreeg ik over de mail verwijten naar mijn hoofd geslingerd van een collega, zonder dat ik me van enig kwaad bewust was. En nog altijd niet, niemand weet wat er nu eigenlijk gebeurd is.
Diezelfde avond had ik een belangrijke repetitie. De trein had een kwartier vertraging, maar dat was niet heel erg, want normaalgesproken zou ik aan de vroege kant zijn. Dus als ik snel mijn fiets zou pakken, niets aan de hand. En dat doe ik, ik til mijn fiets razendsnel uit het rek en op dat moment voel ik dat er iets anders is dan anders. Ik kijk naar mijn achterband. Zo plat als een dubbeltje. Wederom geen geluksdubbeltje.
Over mijn donderdag wil ik het eigenlijk al niet eens meer hebben. Ik slaag voor mijn tussentijdse toets, maar ondertussen ervaar ik het hele gebeuren – en dan vooral de examinator – als zulke doffe ellende dat ik er niet van slaap en nu, drie dagen later, nog steeds niet kan stoppen erover te denken. Wat me nu precies zo raakt is me nog steeds niet duidelijk. Het afscheid van het schaatsseizoen die avond, waar ik altijd verschrikkelijk van baal, is er totaal door naar de achtergrond verdwenen.
Vrijdag was vanzelfsprekend de dag van wakker proberen te blijven, tegen beter weten in. En van mijn band plakken, ook.
Maar hoe ik ook mijn best doe om de problemen op te lossen, het lijkt wel dweilen met de kraan open. Ik kauw langzaam op de appel. De zon breekt half door, maar doet niet echt zijn best. Er is geen reden om snel te kauwen, want wanneer er eindelijk een trein komt die mij naar huis kan brengen weet niemand. Ik sta hier al een uur, kijkend naar een komen en gaan van NS-treinen. Enig teken van Veolia is er daarentegen niet. Omdat er weer eens iemand bedacht heeft op de spoorlijn te gaan staan.
Geluk is dan wel het hebben van vriendinnen die al begrijpen dat de week mij van mijn tijd voor hen beroofd heeft, nog voordat ik zelf iets zeg.