‘Maar vrouwen kunnen dan ook geen twee dingen tegelijk’.
Ik lach kort, maar alsnog veel te lang, want eigenlijk weet ik überhaupt niet waarom ik lach. Van binnen begin ik langzaamaan te koken. Ik heb eerder al uitgebreid geschreven over mijn onvermogen om me te concentreren. Ik zal dan ook niet zeggen dat die man ongelijk heeft als hij beweert dat ik soms laat reageerde en niet genoeg tijd had om goed te kijken. Maar hoezo brengt dat een examinator ertoe om alle vrouwen maar weer eens over één kam te scheren?
Ongelofelijk. Parkeer ik in één keer perfect achteruit in, krijg je dit.
Ik weet het heus wel, in sommige opzichten ben ik echt een vrouw. Ik steek dan ook niet onder stoelen of banken dat ik een enorme slapjanus ben – moet je weer met het meubilair gaan zeulen, daar ben ik sowieso niet sterk genoeg voor natuurlijk. Ja, ik moet regelmatig mannelijke krachten inschakelen omdat ik zelf iets niet voor elkaar krijg. Maar al moet ik vragen om een sperzieboon voor me op te tillen, dat vinden mannen echt alleen maar leuk.
En ja, ik ben er zo een die op klikkende hakken door de gangen paradeert en klaagt over gebroken nagels. Nou en?
Kijk, ik ben zelf de beroerdste niet. Bij mijn weten is het altijd zo geweest dat vrouwen beweren beter in multitasken te zijn dan mannen. Ik vind dat onzin, dus mij hoor je er niet over. Maar hallo, dat is geen reden om het ineens om te gaan draaien! Hoezo kunnen vrouwen geen twee dingen tegelijk? Nog nooit van shoe-handbag coordination gehoord zeker.
Eigenlijk weet ik heel goed waarom ik lachte. Met een examinator ga ik geen ruzie maken. Misbruik maken van een machtspositie, dat is het. Maar eerlijk is eerlijk: als dit hetgene is in je leven waar je voldoening uit moet halen, ben ik blij dat ik niet in jouw schoenen sta. Of moet ik dit opvatten als onvermogen om op een normale manier tegen vrouwen te zeggen dat je eigenlijk niet zonder kunt?
Misschien had je gewoon iets langer door moeten vragen over die bandjes van je. Misschien had je gewoon eens moeten vragen of ik kon kijken of de profieldiepte nog voldoende was. Dan had ik met alle plezier even zo ver gebukt dat je stiekem net-wel-net-niet onder mijn rokje kon kijken, of een kilometer in mijn decolleté, meneer de seksistische man. Jij blij, ik blij onverschillig, iedereen blij. Maar dat is nu te laat, neem me niet kwalijk.
Dus je zegt dat ik nog maar een paar lessen extra moet nemen. Was ik zeker van plan. Maar wacht even, hoezo eigenlijk? Ik ben immers een vrouw, als ik jou moet geloven leer ik het toch nooit, dus dat lijkt me zinloos. Niet echt een waterdichte redenatie hè?
Moet je maar niet proberen te examineren en de macho uit te hangen tegelijkertijd.
Ik ruik aan mijn kleren. Rook. En bier. Die twee mengen zich tot een korrelige geur die blijft hangen waar hij hangt, of dat nu in mijn jurkje, mijn haar, of de lege zaal is waar het zich gisteren allemaal afspeelde.
Ik verafschuw die geur, en toch houd ik ervan. Want ik ken hem al zo lang, en hij brengt alleen maar goede herinneringen met zich mee. Het is al van kleinsafaan, dat dit feest betekent. Zelf heb ik nooit veel bier gedronken, en al zeker niet gerookt. Maar soms hoort het er gewoon bij, en als je het vooraf weet dan is het ook niet erg als anderen bier over me knoeien, of de ruimte blauw blazen.
En toch zou het mooi zijn als ooit die dag komt waarop ik die rook niet meer hoef te ruiken. Dat mensen eindelijk verstandig zijn geworden. Drank, oké, maar ik houd niet van roken. Het is vies, en ik haat het als ik op een onverwacht moment in een rokerige ruimte terecht kom. Want op een doordeweekse dag wil ik daar niet naar stinken. Ik vind het ook triest, als je de wilskracht niet hebt om te kiezen voor datgene wat het beste voor je is.
Al zou ik het stiekem wel een heel klein beetje missen, in het weekend: die geur die je aan gisteren herinnert.
I smell blood,
tududududududu,
Never knew that I would,
tududududududu.
I smell blood,
tududududududu,
Smells terribly good,
tududududududu.
So good, so good,
Wish that I always could!
I smelled rice,
tududududududu,
For days and days,
tududududududu.
I smelled rice,
tududududududu,
It is my usual spice,
tududududududu.
Oh guys, oh guys,
Shut op with that rice!
I smell blood,
tududududududu,
Never knew that I would,
tududududududu.
I smell blood,
tududududududu,
Smells terribly good,
tududududududu.
So good, so good!
(Only a pity that it is because that guys removed my last two teeth.)
De mooiste tijd van het jaar is misschien wel dat prille begin van de lente. Als het al wat eerder licht begint te worden. Als de zon voor het eerst warm is, maar de lucht nog koel, evenals de kleuren van de avondhemel. Een gloednieuwe, frisse wereld strekt zich vanonder een dun laagje rijp uit naar de zomer, die nog zo lang lijkt te duren dat hij misschien wel nooit voorbij zal gaan. Maar ik denk nog niet aan de zomer. Ik denk nog niet aan zengende hitte of zoemende muggen. Liever loop ik door de laatste winterdag, met warme tenen en mijn dikke jas, de zon op mijn gezicht.
Hobo’s, fluiten en trompetten, ik weet niet waar ik op moet letten als de gordijnen zich verzetten. Het begint als een frasering van gedachten, zachtjes lachen, maar niets is wat het lijkt en ik weet dat ik altijd onder zoveel kabaal bezwijk – als het geluid iets anders duidt, iets vollers wat me meeneemt door de ochtend en terugbrengt bij het golven van, nee, bedolven onder het voorbijgaan dat niet stopt, niet snel, niet langzaamaan en het liefst zou ik gaan zingen maar toch zit ik stil. En ril. Het wordt maar groter en maar groter, buitengewoner en toch zoveel herkend als wat je was, wat je nu bent. De minuten worden langer als je maar je best doet, en toch zal het sluiten, ook dit boek.
“Zo, en dan gaan we nu even kijken hoe goed jouw richtingsgevoel is.”
Kom maar op!
“We gaan terug naar Nijmegen rijden, dus volg de bordjes Nijmegen maar totdat we weer in Nijmegen zijn.”
Crap. Dat heeft niks, maar dan ook niks met richtingsgevoel te maken. Zeker aangezien we hier in Beuningen wijkje in – wijkje uit zijn geweest om alle bijzondere verrichtingen te oefenen. Ik heb geen flauw idee welke kant we op moeten.
We gaan dus even kijken hoe goed ik me kan concentreren op de borden. Nou weet ik het antwoord van tevoren al: niet. Concentratie is by far mijn zwakste punt (zolang ik mijn spiermassa niet hoef te gebruiken), óók als het om autorijden gaat.
“Hoe hard mag je hier?” “Ehhh…” – gokje – “…80?” “Ja! want daarnet stonden er borden einde 60!” Ohja. (Dat is het ergste, dat ik ze wel gezien heb.)
“Aan het eind van de weg rechts.” Oké Esra, onthoud, eind van de weg. Je kunt het. Eind van de weg. Eind van de weg. Hier! Eeeeeh… “Welke kant moest ik op?” “Rechts.” Ohja.
Ohjee, een vaag kruispunt en al superdichtbij, wat moet ik doeeeeeee… “Terug naar de eerste versnelling!” Ohja.
“Waarom ga je nou naar rechts? Als ik niks zeg gaan we rechtdoor.” Ohja. (Mijn hoofd maakt zelfs dingen die er niet zijn.)
“Als je het stickertje bij het midden van die auto ziet moet je indraaien.” Het midden van de auto is voorbij het stickertje. “Te laat!” Ohja.
“Ga bij de derde stoplichten links.” Esra zit vlak voor het derde stoplicht nog op de meest rechter rijstrook. “Ja, nou kan het niet meer.” Ohja! Crapcrapcrap!
“Heb je het bord gezien?” “Nee?” “Nijmegen is driekwart rond.” …
De trein mindert vaart, bijna thuis. Ik vind autorijden heel leuk, echt waar, maar wat is het toch heerlijk dat je in de trein gewoon je gedachten de vrije loop kunt laten. (Ook al dwaalden mijn gedachten vervolgens weer af, stonden we al bijna stil toen ik me opeens bedacht dat ik wel mijn jas nog aan moest doen, bleef mijn horloge in mijn mouw hangen en ben ik uiteindelijk met een half aangetrokken jas en mijn sjaal vastzittend aan een uitsteeksel van mijn tas de trein uit gestruikeld. Maar dat laat ik natuurlijk gewoon weg, om de discussie niet nodeloos ingewikkeld te maken.)
Mijn eerste kennismaking met de scheikunde was die in de derde klas van de middelbare school. Ik had die eerste dag niet eens in de gaten dat we scheikunde hadden; ik had gewoon mijn klasgenootjes gevolgd naar een uithoek van het gebouw waar ineens lokalen bleken te zitten waarvan ik weliswaar wist dat ze moesten bestaan – of er hadden enkele cijfers moeten ontbreken in de nummering van de lokalen – maar waarvan ik nooit had vermoed dat ze er zo uit zouden zien. Met houten labtafels en zuurkasten achter het bord. Zuurkasten waarin alle kranen groengeoxideerd waren.
Daar zat ik dan, en mijn boeken lagen thuis. Dat gaf niks, want de docent was veel te verstrooid om dat te ontdekken, dat kon je zo zien. Hij zag er precies uit zoals je van een scheikundige zou verwachten. Een rimpelig gezicht met een vriendelijke, maar toch ook een tikkeltje ondeugende blik. Het grijze haar in de plooi à la Moszkowicz. Een stoffige trui en het ouderwets dikke, zwarte montuur van zijn veiligheidsbril maakten het plaatje compleet.
Het jaar dat volgde bevestigde alle vooroordelen. Deze man was knotsgek, maar bovenal dol op zijn vak.
Je moet een beetje gek zijn om scheikunde te kunnen doen. Of misschien is het wel de scheikunde die je gek maakt. Want als je eens hebt ingezien hoe bizar het eigenlijk is dat scheikunde een wereld kan scheppen die zo divers is als de onze, is er geen kans meer dat je het leven ooit echt zult snappen.
Ook de geur die in het betreffende lokaal hing zal me altijd bijblijven. Scheikunde kun je ruiken. Wat weinig verbazingwekkend is, want ruiken is scheikunde. En al kent de scheikunde vele geuren, een beetje muffig is het altijd. Muf, dat is ook precies hoe ik scheikunde stiekem het liefst voor me zie; als heimelijk gerommel in een donker, stoffig keldertje met grote constructies van glaswerk en ruisende bunzenbranders. Tovenarij. Wat ben ik toch een romanticus, het is weinig van de dagelijkse praktijk. En toch zit er een kern van waarheid in, want de magie achter de scheikunde blijft altijd mijn geheim. Omdat ik het stomweg niet uit kan leggen.
Stiekem was die lolly best wel lekker. Helaas waren de rode hartjeslolly’s op vrijdag al uit de schappen. Maar in plaats daarvan had hij een prachtig ronde karamellolly gevonden die een bobbel maakt in zijn jaszak en bij elke stap die hij zet zachtjes tegen zijn heup valt. Hij verheugt zich erop om dat romige ding in zijn mond te stoppen in de trein.
Het is koud op het perron en het is nog vroeg. Ongeduld overvalt hem ineens nu de minuten zo langzaam wegtikken, hij kan de verleiding niet meer weerstaan.
Maar op het moment dat zijn hand zijn zak in gaat ziet hij in zijn ooghoek iets bekends verschijnen. En blijkt die lolly ineens een eigen leven te leiden.
Ze kijkt naar de lolly en kan haar lach niet onderdrukken. Haar adem maakt een wolkje in de koude avondlucht als ze hem blozend aanpakt. Haar ogen gaan even dicht en kijken hem plots recht aan als ze weer opslaan.
Een lolly is nog lekkerder als je hem met iemand delen kunt.
Het is even overschakelen, van carnaval weer terug naar de normale uitgaansmuziek. Als ik muziek hoor kan ik niet stilstaan, maar ik moet zeggen dat ik mezelf maar een onhandige kwast voel als ik ineens moet zien te bewegen op al die hiphop van tegenwoordig. Ik heb zoveel ledematen, waar moet ik die dingen allemaal tegelijk laten?
Ik doe maar wat en ik heb geen flauw idee of het ergens op lijkt. Waarschijnlijk niet dus. Nee, de conclusie moet zijn dat mijn lichaam hier niet op is gebouwd. Waar is mijn wijde rok waarmee ik door de avond zwier? Waar is de opzwepende muziek waarop mijn benen automatisch springen van plezier?
Volksmuziek zit in me. Niet schrikken, ik heb het niet over het levenslied. Ik wil de polka horen en dan is mijn avond compleet. Je kunt wel zeggen dat accordeons ouderwets zijn, maar stiekem is dat gewoon het allerleukst.