Het is gewoon grappig. Dat ik je zo, haast van achter mijn eigen zuurkast, kan zien terwijl jij niks in de gaten hebt. Niet dat ik je zit te bespieden. Integendeel. Het viel me alleen maar op dat je om 6 uur, toen ik later dan anders het lab verliet, nog met je handen in je (weinige) haar achter die veel te grote monitor zat. Geniaal. Ik ga verder niks over je redenen, of eigenlijk, gebreken zeggen. Ik heb het wel in de gaten. Maar wat zou ik me er nog druk om maken? Nee echt, het kan me niet meer schelen.
D’r ston twee klompe in de gang die werkte hier ’n leave lang of ’t kalt was, nat of werm mit d’n schoeffel op d’n erm alt nar buute toe gegoan nooit nie uut ’t veld te sloan ovver gras en dur ’t zand zeej heure op ’t platteland zo sterk as beum, joar na joar pas as ze breake zien ze kloar die klompe droege ow ’n leave hebbe ow ow kracht gegeave nou ston zeej hier vur wat geej waard ow moed en liefde opgespaard trots um os te loate wete an welke vuut zeej hebbe gezete
Gekleurde, knipperende lichten en veel herrie. Maar ik negeer deze drukte, vol verwachting voor de waanzin die me naar buiten zal drijven, het donker in. Ik kijk voor me uit, over de hoofden heen, ik wil alles zien. Het begint, het gebeurt en het overkomt me alweer. De seconden zijn lang. De schreeuw die van mijn zwarte lippen komt sleurt me naar een ruimte waarin zich een film afspeelt, kleurloos, doldwaas. Pas als ik op de kop hang zie ik links de volle maan, die dus rechts is, maar het doet er niet toe. Het gaat om de schoonheid van de grijze warboel waarin ik mij bevind, het voorbij razen van de geometrische vormen in het contrast van de zilveren schaduwen. Die schoonheid overvalt me. Staat binnen een ogenblik in mijn geheugen gegrift, het duister scherp als daglicht. Ik heb niet lang nodig om te beseffen dat dit slechts kort zal duren. Ik laat me met een grote grijns meezeulen door de wind, de invallende vrieskou, door het maanlicht, over het water, langs metalen constructies, over heuvels, door dalen, over de kop en ten slotte naar het sissen van de remmen en de lampen op de donkere kringen rond mijn verwilderde ogen. Ik zing, maar uit krankzinnigheid. Want ik haat het dat deze twee minuten ook voorbij gaan.
De eerste bomen zijn al helderrood, een stekend contrast met het late zomergroen. Kraaien vreten de laatste bessen op, hun veren glanzend in de lauwwarme herfstzon. In de geschroeide berm staan gele bloemen. En paarse, roze, witte. Ze vouwen zich onder de stervende takken vandaan naar het licht. De zilveren berkenbasten verblinden mijn ogen voor alles wat ik niet wil zien komen.
Waar ik vandaan kom heb ik altijd geweten, maar ik snap nog steeds niet waar ik naartoe moet. Wat kan ik hier bereiken, kan ik in mijn eentje iets veranderen? Voeg ik iets toe? Wat doe ik hier in een wereld die buiten mijn schuld om een grote chaos is? Ik heb hier nooit voor gekozen. Dus daar zit ik dan, hoofdschuddend op mijn stoel. Via mijn beeldscherm kan ik de hele wereld zien, maar niemand ziet mij; en dan nog, wie zou er naar mij luisteren? Deze gekken gaan gewoon door met alles wat deze wereld overhoop gooit, met alles wat pijn kan doen. En het ergste is, de helft van de tijd help ik er gewoon aan mee. Ik heb nog steeds geen keuze.
Het is zes uur. De zon staat laag; die zon die precies warm genoeg was vandaag om van je te houden, net toen je even geen aandacht voor me had. De zon, die mij nooit iets verklapt, hoewel hij vast de waarheid zag.