Nijmegen, centraal station, 18:38u. Ik stap uit de trein en loop richting de tunnel, wetend dat mijn vader zich hier ook ergens bevindt. Het duurt dan ook niet lang tot hij me als een dolle kip voorbij komt stormen, flapperende muts, zonder me te zien. Hij verdwijnt in de trein naar Vierlingsbeek, die al vertrokken had moeten zijn. Het is niet de eerste keer dat ik mijn vader op dinsdagavond in dergelijke toestand op het station aantref. Ik neem aan dat het dagelijks zo gaat. Soms verschijnt hij met een verwilderd gezicht, daar nog aan toevoegend: ‘Shit, hij is al weg’. Maar dan heeft hij in ieder geval wel even tijd om hoi tegen me te zeggen.
Ik bemin alleen het minnetje op de thermometer. En elke dag opnieuw zou ik, onder een dunne witte sluier van sneeuw, de winter kunnen huwen. Hoe zwoel de onvermijdelijke zomer is, altijd blijft mijn hart de vrieskou trouw.
Samen waren ze weggegaan. Hij had haar meegenomen. Zij had niets gezegd. Ze had haar volle lippen, die de lucht altijd leken te kussen, slechts een klein stukje van elkaar gedaan. Haar helderblauwe ogen gewillig gesloten toen hij voorzichtig haar hand pakte.
Toen ze bij het water waren draaide zij zich om en deed haar lange mantel af. Nog altijd had ze niet gesproken. Hij keek. Ze was prachtig. Haar donkere, steile haar in een speelse knot, haar lange benen, haar perfectie in eenvoud zo, zonder sieraden. Het zwarte setje dat ze droeg legde accent op haar rechte rug, maakte haar heupen nog slanker. Ze liep het water in. Gretig voelden de golven aan haar enkels, haar kuiten, haar dijen. Haar blik rustte steeds op de horizon, dus had ze niet in de gaten dat hij zijn camera pakte. Hij fotografeerde haar. Hij fotografeerde haar schouders, haar handen, haar rug, haar billen. Honderden keren. Hij kon niet anders, moest elke beweging die ze maakte vastleggen, uitbuiten, hij wilde haar aan alle muren hangen, op alle posters in alle steden. De kracht van haar figuur vroeg om zijn aandacht.
Na enkele eeuwige minuten voelde zij hoe de kou in haar nauwelijks blauwe aderen trok en maakte ze aanstalten om terug te gaan. Hij stopte, stak zijn toestel in een onzichtbare beweging weg. Maar hij bleef kijken terwijl ze terugkwam. Zijn ogen volgden elke druppel die over haar huid gleed. Zij zag het verlangen, maar begreep het niet. Ze kon niet voelen hoe groot het was. Zonder een woord liep ze hem voorbij, naar huis. Pas toen ze jaren later de foto’s vond, hield ze van hem.
In de krant las ik dat ik me voor jou zou gaan verbergen. Het raakte me niet. Gevoelloos wachtte ik in de wind tot je de trein uit was, het perron af en tussen de menigte verdwenen. Geruisloos verdween ik tussen de struiken als je uit de schemering opdook. Het ging bijna vanzelf. Als ik snel het toilet in liep om de argeloze vlekken op mijn huid te camoufleren, was je al weg als ik terugkwam. Ik schoof je voor me uit door de grijze dagen. Steeds minder dacht ik na als ik van links naar rechts over de straten werd geduwd. Steeds dichter kwam ik weer bij je. Je had niets in de gaten. Ik kende het schild dat om me heen was gebouwd, ik wist steeds zekerder dat deze kracht ook rond jou gegroeid was. Altijd keek je strak voor uit je uit, je handen rond de blinkende boeien gevouwen. Een triomf kreeg controle over me. Ik dacht niks, maar begon te lachen. Ik lachte om de belachelijke boeken waarin je je verschuilde als ik bij je zat, om de loodzware paraplu die je niet tegen de regen, maar tegen mij beschermde. Het lachen werd schreeuwen. Ik bleef met je mee lopen. Mijn stem schreeuwde zonder dat ik mijn mond nog open deed. Ziekelijk gillend rende ik tenslotte achter je aan.
Er schiet een kat door de nacht. Het waait hard, de laatste bladeren vliegen langs de koude velgen waartussen de zwarte indringster zich bevindt. Haar gulle schim rent over rails en verdwijnt onder een oud treinstel dat zo rot is als de herfst op het dak, voorgoed verslagen, de wielen nog vierkant en nu ook de banken vochtig en dik, het hout schimmelend. Twee groengrijze ogen flikkeren onder de roestige draaistellen, lossen op in de zure mist.
Het gaat er pas echt stinken als de kat tussen de bielzen pist.
Een avond muziek – mooi of niet – verandert altijd in een nare droom. Het gaat nog zoveel dieper zitten. Zodoende stond ik vannacht zelf met een accordeon in mijn handen, vroeg ik stilzwijgend om de aandacht, rende ik door de tuin over wankele bruggen om die ene wereld niet los te hoeven laten. Er bestond niets anders meer dan bier, rook, geduw, getrek en de lichten op het podium. De liefde voor alles wat me overkwam.
Als je wakker wordt weet je dat de vage leegte in je buik pas het eerste is wat je die dag moet incasseren. Nare dromen moeten weg dus je staat meteen op, behoedzaam om zeker te weten dat je voeten het zullen trekken. De vlaag bier die uit je haar komt is de geur van voorbij, afgelopen, uit. Had je je ook moeten douchen, maar dat leek onmogelijk, midden in de nacht met dit gebroken lichaam. Voorzichtig ga je de trap af en je neemt plaats achter je computer. Als je zit voel je hoe de stijfheid van je nek zich van boven uit je rug opstapelt tot een kramperige hoofdpijn. Je laat het voor wat het is. Muziek aan. De eerste noten op de piano steken in je ziel, snijden alles weg wat niet Rowwen Hèze is. Je zult vandaag de rest van je leven terug moeten vinden. De nacht moet nog verder weg. Je schrijft hem van je af. Ondertussen kun je stomweg niet anders dan met de muziek meezingen, dus je zoekt je stem tussen het schuren en kraken. Als je hem hebt gevonden en klaar bent met schrijven, is het wachten begonnen. Het wachten op de spiegel die de blauwe afdrukken van de dranghekken op je ribben en knieën zal onthullen. Het wachten op de doordringende stank die van je af zal komen als je de avond van je afspoelt. Het wachten tot je zelf weer een noot durft te spelen zonder de dag pijnlijk te breken. Het wachten op de spierpijn. Op het loslaten. Op een prachtige herinnering.