Wat zou je moeten doen als niks je is gegund? Als je een mislukking bent, de tranen in je ogen staan, je nergens zin in hebt en nergens heen kunt gaan, als alles weer voor niets was, de huisarts je belazerd heeft, er niemand voor je is en niemand om je geeft? Is papier dan echt het enige waar je tegen praten kunt?
Voor me staat een jongen. Hij is niet groot. Hij lacht hard en praat met een ruwe, oude stem. Met een grijns op zijn gezicht neemt hij een slok van zijn bier en gooit hij zijn peuk in de hoek. Het siert hem niet, maar het kan me niet schelen. Ik weet waar ik voor kom. Hij rolt zijn mouwen op. Gespierde armen, bruine huid. In dit licht nog meer dan anders, neem ik aan. Zijn handen zijn grof maar zijn vingers snel, sierlijk, vooral gecontroleerd. Als hij speelt, staat hier een man. Hij buigt zich over het geluid. Heeft elke snaar allang geraakt. En ik weet het wel, hij is niet knap. Maar toch is hij de mooiste. Hij is accordeonist.
De bergen sloegen dekens van wolken om zich heen toen de schemering inviel. Ze hadden zich, de maan wegwuivend, strakgespannen over het dal, heimelijk wetend wat er nu gebeuren zou. Het regende niet, maar uit de vochtige moerasgrond trok een dichte mist op die zijn lange tongen langzaam om de sparren sloeg. Alleen de toppen van de langste bomen keken nog halsreikend naar elkaar uit, toen de mist haar nachtelijke weg omhoog begon tegen de steile rotswanden.
Toen de zon haar eerste rozige schijn op de wolken legde en de eerste mensen wakker werden, was een complete wereld verdwenen. De mist was grauw in het ochtendlicht en omhulde alles wat men zich nog kon herinneren. Geschrokken gordijnen gingen weer dicht, ramen en deuren niet eens open, in de hoop dat alles weer snel terug zou komen. En juist daardoor bleef het buiten zo stil, dat men de hoge watervallen in de verte had kunnen horen. Het groen had kunnen ruiken. En de koelte van de rotsen had kunnen voelen.
Toen ik die avond in de spiegel keek, zag ik niet wat ik verwacht had. Ineens leek een volwassenheid doorgedrongen te zijn in mijn gezicht. Ik zag niet wat het verschil was, maar het oude kon ik niet meer ontdekken. Tevergeefs probeerde ik mijn haar nog te fatsoeneren tot het kapsel waarmee ik de dag daarvoor in alle vroegte was vertrokken en de enigszins uitgelopen mascara onder mijn ogen vandaan te halen. Niets hielp. Hadden deze dagen dan iets veranderd? Ze hadden me blootgesteld aan zon, aan regen, aan dag en nacht, aan diepe stilte en immense drukte, aan liefde en haat. Wat was het dat me anders had gemaakt? Ik bleef naar mezelf kijken. Mijn gezicht was moe, mijn huid bezweet en vuil, maar die blauwe ogen keken me zelfverzekerder aan dan ik ooit gezien had.
De dagen die erop volgden, echter, waren zoals anders. Ik was weer alleen en begon te beseffen dat ik dat zou blijven. De twee dagen die me anders hadden gemaakt verdwenen zelfs uit mijn gedachten. De vertrouwde gelaatstrekken kwamen terug. Daar stond ík weer voor de spiegel, ik. Dat meisje dat het allemaal stomweg niet waard leek te zijn.
Ik kon niet anders concluderen dan dat ik meer dan een spiegelbeeld nodig had, iemand die naast me kon staan. Om ooit zelf een persoon te kunnen zijn.
Wat te doen bij neiging tot het aantrekken van een maliënkolder?
Neiging tot het aantrekken van een maliënkolder herkent u aan een vreemdsoortige aantrekkingskracht richting een zorgvuldig gelegde knoop in een groot aantal metalen ringetjes. Kijkt u, of de volgende symptomen aanwezig zijn:
Abnormale interesse in oorlogvoeren in onechte omstandigheden;
Een licht tot ernstig vervormd beeld van de sociale, maatschappelijke en emotionele wenselijkheid van oorlog;
Sociale achterstand die aanleiding geeft tot onnodig stoer of als zodanig gezien gedrag.
Wanneer één of meerdere van deze symptomen aanwezig zijn, onderneemt u dan de volgende stappen:
Panikeer niet. In het uiterste geval zult u de maliënkolder daadwerkelijk aantrekken, echter dit zal uzelf en anderen geen lichamelijk letsel berokkenen. Geestelijke schade is bij u waarschijnlijk reeds aanwezig.
Probeer tenminste één plek te bedenken waar de maliënkolder niet is. U heeft dan altijd een plek waar u op terug kunt vallen als adequater maatregelen op u geen vat blijken te hebben.
Verzet uw gedachten naar de op dit moment gevestigde maatschappij, zodat u zich kunt realiseren wat er van uw kledij verlangd wordt.
Lukt dit niet, probeer dan via een raam, deur, televisietoestel of pc beeld te krijgen van het echte leven.
Werkt ook dit niet, val dan terug op punt twee en wacht tot iemand de maliënkolder voor u kan verwijderen.
Trek, zo gauw de neiging tot het aantrekken van een maliënkolder zich enigszins verslapt, normale kleding aan en houd op u stoerder voor te doen dan u in werkelijkheid bent.
Als neiging tot het aantrekken van een maliënkolder zich meer dan eens voordoet, neemt u dan contact op met uw huisarts of psycholoog. Deze hebben bekwaamheid het probleem op grondige wijze terug te brengen naar zijn eigen tijd. Voor meer informatie, bel 0900-080808 17 ringetjes/min
Het wachten had te lang geduurd. Mijn lippen waren droog door het eindeloze prevelen van geruststellende woorden, door het inhouden van mijn adem als ik dacht dat ik je hoorde komen. De wanhoop stond als tranen in mijn ogen toen ik voor de honderdste keer met een ruk achterom keek, omdat ik in mijn ooghoek iets zag bewegen. Ik sloot ze weer, ademde zachtjes in en klemde mijn kaken op elkaar. Het moment dat ik op moest geven was aangebroken. Ik boog langzaam mijn hoofd. Ik boog diep, terwijl mijn ogen zich vulden met pijn.
De trein wierp lange schaduwen over de ochtend. En over de kievit, die alles en iedereen wat binnen een straal van vijftig meter rond haar nest kwam, met luid gekrijs verjoeg. Het was alleen niet zo slim, om het nest dan langs een weg en een spoorlijn te maken, midden in een altijd bezette wei. Behalve de eksters, die puur lastig waren om te pesten, had de kievit treinen, tractoren, auto’s, losse voorbijgangers, drie koeien, twee paarden en een sproeier uit de buurt te houden. Dat viel niet mee.
Hetzelfde tafereel speelde zich dan ook al enkele weken af. De kievit vloog, tierend, om haar nest. Altijd hetzelfde rondje, tegen de klok in: over de weg en over het spoor, om iets verderop richting de overgang te gaan, langs het kruispunt, over de koeien, langs de bosjes met de vele eksters en terug over de wei, om weer een nieuw rondje te beginnen. Ik had het nog niet één keer anders gezien. De eksters bleven komen en gaan. Maar ook ik, als fietser, skeeleraar of passagier van een trein, was telkens mikpunt van de consternatie. Het gegil bleek al snel onmogelijk irritant te worden, waardoor ik bij het langskomen spontaan liedjes in mijn hoofd kreeg als ‘Fuck you’ en snel doorreed.
En die andere kievit, die zat daar maar, in de wei, zwijgzaam toe te kijken. Maar als hij beschaamd had kunnen zijn, dan was hij dát geweest.
Roodbruine vlinders tekenen het golvende landschap. De kleuren van de verte zijn warm, de grond een beetje dor, oranjegeel, maar de weinige bomen groen. En helemaal daarachter, als je nog verder kijkt, is er de zee. De prachtig blauwe zee die in één veeg over gaat in de zware hemel, waarin de witte zon zich dag op dag nestelt, een stekende hitte ademend.
Maar in jouw huis, buiten het dorp, is het koel. De muren crèmekleurig, het dak oranje. In de tuin staan genoeg bomen om een frisse schaduw te werpen. Vanuit die tuin zie je alles. De heuvels, de zee. En als je je omdraait is daar het dorp met de smalle, hoge huisjes, pannendaakjes, de steegjes waar het altijd warm is en waar de was buiten hangt. Waar olijfbomen groeien langs de ijzeren trapleuningen en door de bloembakken met kleurige bloemen. Het dorp, aan de voet van de berg, tegen de steile roestbruine rotswanden waarlangs je blik omhoog gaat naar de besneeuwde toppen.