De bomen zijn git, gitzwart tegen de avondlucht, zwarter dan inkt, contrast- en diepteloos, plat in hun perfectie.
Totdat de trein gaat rijden. Takken bewegen, kunnen hun vorm en pracht niet langer onthullen: het alle kanten op steken, de geordende willekeur maken het bestaan ervan echt.
Het is de trein, de trein, de trein waaraan je je ooit voor het eerst overgaf, overgave werd vertrouwen, vertrouwen werd liefde en liefde maakt alles mooi. De bomen zijn prachtig maar niet zo volmaakt als de seinpalen die nu en dan voorbij komen en de aandacht afleiden in al hun schoonheid en betekenis. Statisch, statig maar beweeglijk door het rijden van de trein.
De seinpalen volmaakt, de lichten op groen; het allermooist is en blijft het sporadische geraas van een tegenligger, het bijna kunnen voelen van de rukkende wind als ademhaling, het trekken van de strepen die op de ruiten schrijven hoe hard het leven gaat.
De ochtendlucht was zachtblauw, wolken alleen boven de horizon als grijze lange aquarelstreken, bergen met oranjegouden daken. Zachter dan dons om de wereld nog niet te doen ontwaken en smeltend in de eerste warmte.
Vogels speelden boven het uitgestrekte, berijpte gras, dat de aandacht verwees naar de verte vol zwarte beelden en beloften: een prachtige dag, zich niks aantrekkend van het donderend geraas op de straten. De horizon onzichtbaar maar aanwezig als de naden van een deken van behaaglijkheid die knoppen en bloemen doet opengaan, de zilveren lijntjes inkleurt met frisgroen.
Het vroor nog steeds, maar deze kou luidde de lente in.
“Misschien ben ik te perfectionistisch. Het moet gewoon kloppen.” “En klopt het nu?” Je lacht. “Mijn hart klopt hulpeloos.”
Je kijkt haar aan. Ze is niet knap. De lijnen van haar neus en kaak zijn te lang, maar je kunt ze niet zonder meer korter denken. Ze spreken kracht uit. Je zou niet weten hoe het beter moest. Haar ogen toveren met licht. Zij wacht af en neemt je in zich op. Je kunt niet zien wat ze denkt, hooguit hopen.
Dan draai je je om en je loopt weg. Te mooi om waar te zijn? Sukkel.
Kijk; dat je naar de persoon uit je trainingsgroep toe wilt die daar in de binnenbocht, nog half op het ijs, gevallen ligt te zijn, dat snap ik. Dat je dat óók wilt als er al twee mensen bij zijn, snap ik ook nog wel een beetje. Maar wie had nou gedacht dat je dat als trainer zou doen door zomaar het ijs over te steken, terwijl er mensen met een dikke 30 km/uur de bocht in komen schaatsen, zoals ik. Er zijn niet voor niks regels die het oversteken van het ijs verbieden, zelfs als er niemand aankomt. En roepen dat er iemand in de binnenbocht ligt helpt ook niet echt; dát had ik wel gezien. Als trainer zou je toch moeten kunnen bedenken dat dat minder gevaarlijk is dan plotseling overstekende mensen.
Door de snelheid waarmee het gebeurde heb ik overigens van anderen moeten vernemen dat je trainer bent. Ik heb alleen je schaatsen gezien en daarna het ijs. Van iets te dichtbij. Aangezien je ook een beetje weinig interesse had in de persoon die door jouw toedoen net zo goed een hersenschudding had kunnen hebben, kreeg ik ook achteraf vrij weinig informatie over je identiteit. Je hoeft je dan ook zeker nu niet meer niet te verontschuldigen; dat zou een onhandige zet zijn. Dan weet ik wie er zo dom en bovendien onfatsoenlijk is. Maar je schuldig voelen, wellicht.
In Kuuk wier ’t druk in d’n trein. Vul minse mit kleurige kleejd, d’n kroegetocht waas gedoan. Vul herrie, d’n lucht van bier.
Langs meej kwame ’n jong en ’n derke zitte. Zeej waas nuchter, heej nie.
“Hedde geej ’n ov-kaart?”
“Joa.”
“Moage weej mit ow mit komme dan?”
Ik lâchte.
“Is good. Mar ik goj mar tot Vierlingsbèèk.”
“Yes, gelukt! Wej hoeve mar tot Boksmèèr!”
Ik haj ’t kunne hoare. D’r volgde ’n slêcht mar leuk gesprek.
Beej ’t ândere raam laag ’n jong zien roes uut te sloape. In Boksmèèr sprâk d’n jong langs meej ‘m an beej de naam op zien shirt:
“Heuj ‘verrekte mongool’! Weej zien in Boksmèèr!”
D’n oagskes ginge ’n klein stukske oape.
“Nèèh, ik mot d’r hier nie uut.”
Zien tongval waas vul te Limburgs. Heej sliep verder. Weej wensten elkaar nog ’n goeie latste kârnevalsoavend.
Das kârneval. Same, gezellig. Ieder ow vriend, dronke of nie.
Ik hoorde het: het was stil, ik kon de bellen horen gaan en dacht aan mijn zusje die daar op het station stond te wachten. Zij ging. Ik zou ook ergens heen gaan. Maar ik ging niet. De motoren ronkten. De deuren waren voor me gesloten.
Ik zag het: een lange sliert ramen reed het dorp uit, de achterkant nog eens vertellend waar ik heen had moeten gaan. NIJMEGEN.
Ik voelde het: mijn onderlip trilde. Een traan rolde over mijn wang toen de rode lichten uit het laatste zicht verdwenen.
Ik schreef het: weg. En nu is het tijd voor CARNAVAL! Niks verpest.