Slapen heeft geen zin. Het was te mooi en te dichtbij. Deze twaalf handen pakten me nog steviger vast dan eerst en schudden me wakker. Klaarwakker. Raak maar eens los als je éigenlijk niet wilt. Het kwam wéér als een zegen.
Met een klein beetje extra. Want jij zwaaide, en ik terug, terwijl ik me groot hield tegen het smelten: je zwaaide lang. Volgende week zal ik weer zwaaien Tren! En dan ga ik slapen en alles vergeate. Behalve de vrede.
Voor me zag ik een kamer. Wit en kil en met netjes gerangschikte bedden, zoals in een ziekenhuis. Maar kaal en armoedig, stoffig. Ik voelde dat ik met mijn rug naar een deur stond. Aan de andere kant van de kamer, in de muur tegenover me, was ook een deuropening, waarachter ik een tweede, lege kamer zag. Ik kon me niet herinneren dat ik door één van beide deuren binnen was gekomen. Op de bedden zaten mensen. Ik wist niet waarom of waar ze vandaan kwamen. Ook kon ik niet zien wie ze waren. Maar ze zaten daar.
Rechts van me, in een hoek van de kamer, waren bovendien twee mannen. Vol verbijstering en afschuw keek ik naar wat ze aan het doen waren. Eén van hen had een geweer, de ander gebruikte slechts zijn arm. Hij wees, bepaalde de volgorde, het lot. Zijn handlanger haalde de trekker over. Het tafereel speelde zich voor mijn ogen af, willekeurig en koelbloedig. Ik wist dat niemand overgeslagen zou worden. Toch vluchtte ik niet. Ik stond daar slechts, voelde dat het nou eenmaal niet anders was, had geen angst.
Het duurde niet lang voor de arm zich naar mij uitstrekte. Ik draaide me om, van hem af. Ik zag niks meer. Het was eindelijk zover. Ik viel voorover, mijn arm vouwde zich onder me. Ik wist dat ik in mijn rug geraakt was, maar voelde geen pijn. Samen met de duisternis viel een geluk over me heen. Ik besefte dat ik verlost zou worden van de problemen, het verdriet, de verloren strijd. Wat er van me over was draaide zich in het zwart. Ik voelde dat ik wegging en genoot een moment van de berusting.
Het regent in buien. Ik ben te druk om ze af te wachten, dus de bui komt als ik naar buiten moet. Alleen daarom.
Zo ontzettend druk dat ik geen tijd heb om blij, boos, suf of stom te zijn. Maar het is dan eindelijk april. Het werd tijd voor april. April is altijd anders. In april zijn alle sneeuwklokjes en krokussen allang omgevallen. Het gras is nog nat.
April zit vol ruimte tussen de eerste scheutjes. Om blij of gewoon bij te zijn.
De trein vertrok – zonder reden overigens – zes minuten te laat. En kwam zonder verder oponthoud zeven minuten te laat aan – meer dan het dubbele van mijn overstaptijd.