We liepen beiden. Ik liep sneller dan ik kon.
Jij verdween tussen het noorden.
Ik niet. Ik ging zuid en toen ik in de trein stapte, was het donker binnen. Maar de trein reed, en dat telde. Weg. Razende motoren. Ik voelde de kracht en het ging in mijn buik, als muziek.
Er lag zoveel open en het liefst zou ik alle potten dichtdraaien, deksels op pannen slaan, deuren in hun post trappen.
Weg.
De machinist kwam op het geniale idee de lichten aan te doen.
De trein hield in en stopte en het ging te langzaam. Ik wilde weg. Maar na niet lang gingen we alweer en het kroop weer in mijn buik en de trein vertelde me dat we al bijna in Venray waren. Gelukkig was dat niet, want dan was ik te ver.
De machinist vertelde de trein dat we naar Cuijk gingen. De trein snapte het niet. De trein zei dat we al in Cuijk waren. Fout. We waren dwars boven de Maas.
En we gingen weg.
In Cuijk snapte de trein het weer. En we reden verder. Nog verder weg. Ik dacht aan blijven zitten tot Roermond. Een gedachte later wist ik dat de trein maar tot Venray zou gaan.
Bovendien zou ik terug moeten. En dat was erger dan blijven, want terug was terug. Ik wilde alleen naar het zuiden. Naar de kant van Rowwen Hèze, Bløf, Guus Meeuwis. Ik voelde de glimlach zich rond mijn lippen vouwen. Mijn piano was er ook.
Ik dacht al niet meer aan jou, toen de trein voor de laatste keer optrok, weer sneller dan verwacht, ik de kracht weer voelde, binnenin. Ik ging weg.
In Vierlingsbeek liep ik weer gewoon, scheef. Ik keek of het Jack was die naar Nijmegen ging, maar dat was niet, godzijdank. Ik zag verdwaalde witte bloemen tussen brandnetels en dacht even dat ik erin zou gaan liggen.
In de verte reed een limousine-bestelbusje-lijkwagentaxi.
Ik wil geen limousine-bestelbusje-lijkwagentaxi. Ik wil ook niet jou. Ik wil een trein.
Het is echt oktober nu en Bløf heeft altijd gelijk.
Vandaag had ik practicum, kort, maar als gewoonlijk leuk. Totdat jij binnenkwam (ik schrok), of meer tot je weer wegging; je was er maar even maar lang genoeg om langs me heen te lopen, precies toen die belachelijkmakende opmerking kwam. De assistent voelde exact wanneer hij hem maken moest; ík voelde hem al die tijd al aankomen en jij lachte. Om de grap en mij, misschien ook niet maar het maakt dat ik in het hoekje van een donkere kelder wil gaan zitten, opgetrokken knieën, waar ik je uit de lucht schrijf, in het verdwijnpunt teken en doe oplossen tussen degenen waar ik wel wat aan heb. Je smelt in de muziek. De vlam die ik gebruikte heb ik uitgedoofd.
’s Morgens lazen daken voor uit hun boeken vol regen. Iets later werd het helderder, takken vouwden zich naar het nieuwe licht. Het dorp wachtte niet op verhalen. De druppels losten op in lucht zonder slag of stoot. De straten werden droog.
Als de zon op zijn hoogst stond, schuilden ramen achter luiken die groen of blauw waren en scheef hingen, een paar van de gekleurde bloemen in bakken tegen het kozijn klemmende. Bankjes waren leeg. Geen schoorsteen die naar wolken wuifde. Het was doodstil. Zelfs de wind stond niet op een briesje, gestopt door de hoge poorten en muren zonder punten.
In hoeken verzamelde zich het stof van planten die tussen stenen groeiden. Op een gebarsten schoorsteenmantel lag het vergeelde boek waar niet in was geschreven.
Oh. Jee. Ik was net aan het skaten langs het spoor en er kwam een trein aan. Maar dat kon niet, want er was net een trein weg en dan komt er geen meer behalve in de spits maar het is zaterdag. Het was er toch een. Een werkrijtuig. Beter wetend zoeken naar mijn camera maar ik had hem toch echt niet bij me. Dus besloot ik maar even goed te kijken en hield ik in. Mijn glimlach was niet te verbergen en dat zagen de mannen ook denk ik. TUUUUUUUT. Dus ik zwaaide en lachte nog veel harder. Ik wil altijd durven zwaaien zodat de machinist toetert. En nu is het te laat, nu is het andersom. Mijn ouders hebben het thuis gehoord… Oh. Jee.
‘Nu zijn we in Cuijk.’ Het jongetje keek naar buiten en toen weer op naar oma. Hij zat bij haar op schoot en keek met grote kleine ogen. De hele nieuwe wereld die hij zag, daar hoorde ook Cuijk bij. Het zette het dorp kracht bij. Voor mijzelf was Cuijk nooit interessant. Maar vandaag was Cuijk iets bijzonders.
De trein reed verder. Het kind zei niets. Zorgvuldig peuterde hij met zijn kleine vingertjes de krentjes uit hun doosje. Hij dacht na, trok rimpels in zijn voorhoofd. En keek. We naderden de Maasbrug. Iemand vroeg, willekeurig: ‘Is dit dan de Maas?’ De nadenkende blik van het jongetje verdween. Op het gezicht verscheen een uitdrukking alsof hij zeggen wilde: ‘Wie twijfelt daar nou aan?’ Zo reden we.
‘Nou komen we in Mook.’ ‘Mook?’ De stem van het jongetje was helder. ‘En dan?’ ‘Dan gaan er weer mensen in en uit de trein.’ Hij knikte. Praatte verder. En dacht weer na. Hij zei niets geks. Zag de heide.
Op Nijmegen Heyendaal zouden veel mensen de trein uit gaan, volgens oma. En dat gebeurde. Ook Nijmegen was nu bijzonder. Iedereen was bijzonder. De trein was bijzonder. De twee bleven zitten. Maar ik weet dat hij er nog vaak uit zal stappen, de kleine, over een jaar of 12. Ik zag het in zijn blik.
Aan alle kanten leken de bomen nu groter, imposanter te worden. Weer draaide ik me om. De zon stond laag, schaduwen vingen me in hun opgeheven klauwen. Ik dacht aan de manier waarop de vogels juist nog gekwetterd hadden. Ineens was het stil. De takken wachtten hun kans het likkende zonlicht eindelijk van zich af te slaan, geruisloos. Ik was alleen. Ik ging zitten en dacht na. Het werd kouder, de hemel mooier dan ooit, rood als de kreten in mijn hoofd. Ik riep. Jou. Je was er niet. Een vogel fladderde uit je grip.