Dan was de wereld anders. Ik stelde me voor dat ik op dezelfde plek was als normaal. De geluiden op de achtergrond waren echter niet meer weg te denken. De dingen leken dieper, zwaarder.
Ik wachtte slechts, maar mijn hart sloeg, en sloeg maar door. Alsof het de klokken moest luiden die het verlies van iemand kenbaar maakten. Ik herkende het gevoel vaag, net als de halve kramp in mijn spieren. Verder leek alles hetzelfde, maar ik wist stiekem dat dat niet was, zoals elke gedachte die zich opdrong voor altijd wilde zijn en vooral ook deed of hij altijd al geweest was. Maar het leek of die vlagen zich ondanks dat niet vast konden klampen. Het was iets van vroeger, de pijn, de angst, de moedeloosheid en vooral het niet weten waarheen. Ik hoopte dat het niet te laat was. Dat het slaan voor iemand anders was.
En wat dan als het wel te laat was. Dan was alles weg.
Toen ik wakker werd merkte ik dat het te laat had mogen zijn, dat ik het niet gemerkt zou hebben. Maar ik was dankbaar dat het niet te laat was geweest. Niet lang erna werd ik nog wakkerder geschud, harder, pijnlijk, maar ik wist dat de goede wereld weer op me terug zou komen. En dat ik wel zou zorgen dat dit nooit weer zou gebeuren.
Het is helder, maar de contouren zijn zwarter dan een winternacht. Ik houd van zwart. Zwart kon zich altijd bewijzen, zwart maakte intenser, zwart maakt mij.
Nu maakt het zwart ook jou, je bent daar, misschien niet echt, maar het is helder en je doet me denken aan de muziek. In mijn gedachten is de muziek grijs en klokt hij uit de hals van iets wat geen fles is, maar toch van glas en het weerspiegelt de woorden onder de inktzwarte noten. Zo is muziek, zwart op het papier, de krullen en de strepen die doen denken aan de contouren in mijn hoofd.
De woorden zijn , maar voor jou wel. Absoluut. En dat is wat alles anders maakt. En wat niet zou moeten zijn.
Pijn is eigenlijk iets geks. Een reactie van je zenuwen op een mankement in je lichaam. Zenuwen, daarop, zijn niet meer dan dunne kanaaltjes, die vol zitten met kleine openingen waardoor kalium, natrium en chloride in- en uit kunnen stromen, elkaar beïnvloedend. Dat is alles.
Pijn, in feite, is dus een opeenvolging van chemische en fysische reacties. Puur! Niks anders dan alle andere dingen die we om ons heen zien gebeuren. Een niet-bestaand iets.
Hoe kan het dan dat het je hersenen zo kan beïnvloeden, dat het onaangenaam voelt? Ik snap het niet. Het is niks. Het is er stomweg niet.
Dat probeer ik mijn teen ook te vertellen. Maar helaas helpt het geen zier. Gelukkig is mijn paracetamol bijna opgelost.
Dat staat in de bomen. Achter de schuur. Kijk maar:
Die foto is niet bewerkt. Echt niet.
Ik weet ook niet waarom het er staat. Ik kon niet meer geloven dat het echt bomen waren. Maar het is toch zo.
Wat wanhazen zijn weet ik ook niet. Maar daar kun je natuurlijk zo je ideeën over hebben.
Ooit vertelde ik aan iemand dat ik een zeven stond voor Nederlands. Hij vroeg me vervolgens, of ik voor de andere vakken ook zo goed stond.
Ik knipperde met mijn ogen en analyseerde de zin die ik hoorde tweemaal.
Zo de spot met mij en mijn punten te drijven! Die verrekte punten, die altijd tegen me werkten en me lang niet altijd het gevoel gaven een maat voor mijn kunnen te zijn.
En dan had je nog die afrondingen, die speciaal in het leven waren geroepen om mij roet in het eten te strooien.
Maar in mijn bijzijn te zeggen, dat het goed was een zeven voor Nederlands te staan, dat was pure pesterij, het duwtje na in mijn persoonlijkheid, ziek maken met woorden.
Nederlands en zijn eeuwige zeven. Met of zonder tandje extra, hele tandwielen, volle toeren, avonduren uiteindelijk; dan toch weer die zeven. Alsof nadenken geen zin had. Hersenmoord.
Wijselijk antwoordde ik met een negen voor wiskunde. Daar had ik nooit het tandje moeite voor genomen. Niet nodig gehad. Wiskunde was mijn pauze.
En daar ben ik wél trots op.
Als je oren flappen Kijk me dan niet aan, als je zoveel beters doen kunt moest je maar eens gaan. Als je je te goed voelt zak maar door de grond, als je niks leuks te zeggen hebt houd dan gewoon je mond. Als je niet normaal kunt lopen kom niet naar me toe.
En als je niet een vriend kan zijn, verdwijn dan eens voorgoed.
De duinen – hoog en koppig – vormden als zwarte laven een muur van zeeën om ons heen. Wat de anderen kenden als het echte water hoorde zich langzaam aan tussen de geluiden van krekels avondfeest.
We lagen in het prikkende gras onze ruggen te voelen. We dachten om klein en nietig te zijn tussen de donkere kleuren van de schemering. Een gelukkige tijd maar ook die aangaf slachtoffer te zijn van de grillen der natuur.
Dus werd er gehuild.
Dit en het leven leken zo mooi maar allemaal wisten we – de zwarthoofdige heuvels na – het was kort en zou veranderen en vergaan, genieten was ons de tijd niet toegestaan, de schemering zelf was niet-bestaand, enkel een geest ons in de ogen kijkend en elke keer als doorgedrongen was wat we zagen was de nacht al daar.
We konden het niet zien maar wisten het.
Tranen vormden een beeld naar schimmen en we keken op onszelf neer, uiteindelijk fluisterend:
“Dit kan niet, er is niks. Alles is oneindig weg.”