Newtoniaanse Kosmologie is zo’n vak dat oninzichtelijk blijkt. De verhalen klonteren zich samen tot een warboel, waar gek genoeg toch weer structuur in zit.
In de vorm van een enorm vraagteken dat de rest van de week ondoorzichtig boven je hoofd blijft hangen.
Als je leert dat de samenklontering ontstaat door een kleiner wordende straal, doordat de energie afneemt door de afnemende straal haak je af, mis je wat, haak je nog meer af en mis je uiteindelijk alles, wat dan weer doet realiseren.
Realiseren dat het leven blijkbaar toch in elkaar zit zoals datgeen waar je op dat moment naar aan het luisteren zou moeten zijn en zelfs dat je dat klaarblijkelijk nog bewijst als je niet oplet.
Maar ook realiseren dat je op een stoel op een verdieping op een fundering op de aarde zit, die niet zo stevig is als hij lijkt en draait en door het heelal schiet, terwijl de dunne korst rondom de vloeibare kern misschien wel op instorten staat onder ons gewicht.
Dan draait je stoel en geeft geen steun, behalve dat ene plankje dat intussen pijn doet. Je valt er net niet vanaf hoewel het vraagteken je topzwaar maakt, terwijl er ook nog donkere materie bestaat en je probeert niet aan de verkiezingen te denken.
Ik ga niks over de verkiezingen zeggen.
Donderdag mogen we de sterren nog een keer proberen, wat een geluk, we mogen weer van onze stoel.
Vorige week ademde je nog, al was het wat zwaar. Het ging allemaal zo snel. Je was al weg toen ik nog in de trein zat.
Ik kan het wel beseffen maar niet bevatten, ik heb het nooit kunnen bevatten.
Hoe mensen van de ene op de andere dag niet meer bewegen en zich nooit meer zullen bewegen. Het klinkt zo logisch – als een lichaam het niet meer doet houdt het ermee op – maar ik snap niet hoe alle gedachtes, alle kennis zo snel weg kunnen trekken. Verloren gaan. De herinneringen die je misschien nog had aan vroeger.
En hoe je nu ligt te kijken, al kun je het niet zien.
Lieve opa,
Bedankt, ik zal je fratsen nooit vergeten.
Ik zal ook prutsen, fietsen, bramen plukken
en kastanjes eten.
Van veraf was het zo mooi
En ik hoop dat het me ooit zal zijn vergeven
Ik bracht m’n dagen door
Dromend dat je bij me was
Van veraf was het zo mooi
Hoe kon ik denken dat het anders zou zijn?
Hoe kon ik denken dat het groter dan de wereld was?
Hoe kon ik denken dat we samen zouden zijn?
Van veraf was het zo mooi
En ik zal je nooit vergeten
Ik breng m’n dagen door
Wetend dat het pijn blijft doen
Van veraf was het zo mooi
En er is niemand die het meevoelen kan
En er is niemand die iets troostends hoeft te zeggen
En er is niemand die voor mij schoon schip moet maken
Dat doe ik zelf wel…
Van veraf was het zo mooi
En ik hoop dat het me ooit zal zijn vergeven
Hoe kon ik denken dat het anders zou zijn?
Hoe kon ik denken dat het groter dan de wereld was?
Hoe kon ik weten hoe het is om zoveel spijt te hebben?
Of is het maar verstreken tijd?
Van veraf was het zo mooi…
Ik schrijf geen brief om te zeggen dat ik je vriend wil zijn, of juist je vijand. Ik schrijf geen brief om iets belangrijks te vertellen. Niet om te zeggen hoe goed of slecht het met me gaat, niet om iets aan je te vragen.
Misschien schrijf ik deze brief zelfs niet eens aan jou.
Ik schrijf alleen maar om te schrijven. Omdat ik daar gelukkig van word. Omdat ik blij ben om de muziek en de vogels en de lucht die – hoe vanzelfsprekend – blauwer is dan de wolkenstrepen die er helaas nauwelijks zijn, en ik zeg dat ik wacht op de zonsondergang die de strepen elk hun kleur zal geven.
Ik wil vertellen dat alles langs me heen gaat wat ik niet over me heen wil laten komen. Ik weet niet waarom of hoe ik dat geleerd heb en ook niet of het goed of slecht is, maar het is.
En met dat ik me daar niet druk om ga maken maar er gewoon gelukkig mee zal zijn, ben ik al aan het einde van deze brief, die nergens over ging en ook nooit ergens over zal gaan. Een brief van vandaag, omdat het morgen anders kan zijn. Misschien vond je het wel de moeite om te lezen.
Het glas is stuk. Ik zie een p die er niet is: Heselaanp. Zo gaat dat. De letters op mijn hand zijn rood. Ik lijk een ei, dat is bestempeld. Mijn blik gaat van het ei naar het bushokje, het ei, het bushokje, de branddetector, die aan McFlurry doet denken. Ik krijg geen honger.
Het is stil. Alleen de bus die optrekt maakt meer herrie dan mijn vulpen, die hard klikt als ik de vulling verwissel. De punt was vies en ik maakte hem schoon. Mijn wijsvinger is zwart, en het papier waarop ik eigenlijk begon. Al die inkt.
Ik denk werkelijk nergens aan. Soms kijk ik rond of niemand valsspeelt. Het is stil, maar buiten wordt naar binnen gezogen. Weer een bus.
Weet u niet meer wie ik ben?
Als ik droomde, ’s nachts,
was ik gewoon naar u te zwaaien.
Ik durfde niks te zeggen.
Nu durfde ik, en zei ik:
“Dag meneer”,
waarom zegt u niks terug?
Ik had altijd gehoopt dat u mij
wel zou herkennen,
en zou denken dat wij, een beetje,
op de een of andere manier,
bekenden van elkaar zijn zouden.
Dan zouden we gewoon even lachen.
Een vrolijke glimlach
met een heel klein stukje tand,
dat desnoods zou blinken in het daglicht.
En dan zou u weer naar de stoep kijken
en ik ook, en zouden we doorlopen.
Nu liep ik ook door en dacht ik na,
waarom er iets niet klopte.
Ik verzon dat ik wel wakker worden zou,
en dat ik dan pas wist
dat ik het maar droomde.
Jack Poels staat in de tv-gids. Een beetje gebrabbel over ‘het dorpsgevoel’. De enorme kop luidt een citaat:
‘Wij zijn hier op zijn gelukkigst als het saai is.’
Zeg. Is dat nou het ultieme dorpsgevoel?
Niet het mijne. Er moet wat gebeuren. Ik houd er van als het dondert en bliksemt. Als het meters sneeuwt of de koeien de lente in rennen, zo gauw ze weer naar buiten mogen. Als de treinen verkeerd rijden. Oh, ja, ik vind het fantastisch als de treinen verkeerd rijden. Tenzij ik er dringend zelf een moet hebben natuurlijk. Wat dat betreft ben ik wel een beetje een ramptoerist.
Ik houd er ook van als de spoorbomen dicht blijven, terwijl er geen enkele trein rijdt, omdat er een seinstoring is. Zoals nu. Dan kun je er naartoe fietsen en de spoorbomen optillen, zodat je natte handen krijgt. Eronderdoor gaan. Op de rails staan.
En als er niks gebeurt, dan zorg ik zelf wel dat er iets gebeurt. Ik zing een lied. Of ik trek mijn skates aan en ben weg. Achteruit overstappen. Ik zwaai naar de machinist en luister of hij de hoge of de lage hoorn voor mij laat klinken.
Ik houd er vooral van dat alles zijn gang gaat. Doorgaat. En het dorp toch een dorp mag zijn.
Ik ben hier op mijn gelukkigst als het gewoon, gewoon Vierlingsbeek is.
Dat woord geeft geen zoekresultaten in Google. En dat is niet gek, maar wel irritant. Nu nog een maandje wachten.
Het verzinnen van nieuwe woorden is als een hobby geworden. Ik hoef er alleen geen tijd voor uit te trekken: het gaat vanzelf.
Zeker nu. Maar ik ben dan ook een beetje braindamaged.
Dat had ik niet hoeven zeggen, want zoekresultaten genoeg voor braindamaged. Hoewel Google vindt dat je het los van elkaar schrijft. Maar ik ben een Nederlander. En Nederlanders schrijven dat aan elkaar.
In dat opzicht lopen er alleen niet veel Nederlanders rond hier. Ik haat dat. Ik haat: “Isolatie faag DNA molecuul vermomd.” Buiten dat ik het toch al niet snap. Telegramstijl. Ten tweede: hoezo vermomd? En wat is er vermomd? Isolatiefaag? Faag-DNA? DNA-molecuul? Faagmolecuul? Isolatie-DNA-molecuul?
Zoeloeflipper is tenminste duidelijk. Het is een flipper. Die iets met zoeloe te maken heeft. Dat zie je. Al betekent het niks. Heel anders dan: ‘zoeloe flipper’. Dat is meer een commando. Zo belangrijk is die stomme spatie! Of eigenlijk juist: geen spatie. Begrijp dat nou eens!
Het bleek faag-DNA-molecuul te moeten zijn.
Zeg dat dan.