Je droeg weer blauw die avond
In een schaduw van zwart licht
Er werd geen gat gedicht
Met de brief die je me nazond
Tijd draait alles om
Wat eerst prachtig was wordt lelijk
En wat je toen zo moeilijk vond
Daar denk je niet meer aan
Laat je me nog gaan?
Wat onaf was blijft wel liggen
Je maakt niets ongedaan
Blauwe ruis, in mijn ziel en in mijn oren
Ik wil het niet meer horen,
maar het houdt nooit meer op
Blauwe ruis, wat je had gaat nooit verloren
Het wordt alleen maar harder
en het houdt nooit meer op
Je draagt steeds blauw die avond
Op het scherm in mijn hoofd
In de brief die je me nazond
Heb je niets beloofd
Maar ook niets afgerond
Onaangenaam verdoofd
Blijf ik staren naar de grond
Blauwe ruis, in mijn ziel en in mijn oren
Ik wil het niet meer horen,
maar het houdt nooit meer op
Blauwe ruis, wat je had gaat nooit verloren
Het wordt alleen maar harder
en het houdt nooit meer op
Laat je me nog gaan?
Wat onaf was blijft wel liggen
Je maakt niets ongedaan
Blauwe ruis, in mijn ziel en in mijn oren
Ik wil het niet meer horen,
maar het houdt nooit meer op
Blauwe ruis, wat je had gaat nooit verloren
Het wordt alleen maar harder
en het houdt nooit meer op
De zon schijnt door de bladeren van de heg in de sneeuw onder de heldere lucht. Ik zie het, maar kijk niet. Dan krijg ik vlekken voor mijn ogen.
Aan de andere kant is de schaduw van het huis. Behalve in de toppen van de bomen, die doen alsof ze oranje zijn. De vogels gooien de winter eruit.
En tussen de ramen wacht ik op de avond. Het is buiten zo wit dat ik denk dat het niet donker wordt. Het vriest. Ik zie ook iets roods. Het is niets van het bloed in de enge dromen of in de werkelijkheid, op plaatsen in de wereld waar veel zielen evenmin wit zijn als het land om hen heen. Gelukkig kan ik de geweren niet horen.
Het roodborstje trekt zich niets aan van de kou. Ik wel. Het kwik is mijn vriend. Als ik mijn ogen sluit wil ik ze pas openen als ik weet, dat zich voor mij een witte gladde vlakte bevindt waarop kinderen spelen en volwassenen ook, al zullen zij dat nooit zo noemen.
Het enige wat ik weet is dat er zo’n gladde vlakte niet is, omdat het heeft gesneeuwd. Maar ik wacht wel tot het zachtjes dooit, en op de nacht waarin het water aanvriest.
En het ijs wacht op mij, als de zon opkomt door de bladeren van de heg zonder sneeuw onder de heldere lucht.
Eindelijk kerstvakantie. Vlak voor ik naar het station liep begon pas goed tot me door te dringen hoe blij ik daarmee was.
Echter in de trein zelf werd mijn geluk grondig verstoord. Tegenover mij bevond zich een jongedame, die allereerst nog vrolijk ging zitten sms’en. Daarbij leek het er overigens niet op of zij maar enige intentie had daadwerkelijk een bericht te versturen. Al typend had ze het te druk met rondkijken en nog net niet hardop zeggen: ‘Kijk eens wat ik kan, sms’en zonder te kijken!’ Haar houding en indringende blik bevielen me weinig, maar dat bleek pas het begin van een vreemdsoortige woede.
In Cuijk aangekomen nam zij schijnheilig de moeite om op te staan voor degene die naast haar zat en uit wilde stappen. Ik keek expres niet. De lucht was geel.
De mobiele telefoon ging weg en opeens viel mij iets nieuws op. Mevrouw, die overigens muziek luisterde via een iPod of iets dergelijks, was kauwgom aan het eten. Dat begon nog netjes, maar gaandeweg richting Vierlingsbeek zakte haar mond bij elke kauwbeweging steeds verder naar beneden. Dit resulteerde in een gênante maar vooral luidruchtige vertoning. Het klonk míj niet als muziek in de oren. Ik werd er ronduit chagrijnig van.
Maar uiteraard ging ze rustig door, dankzij de muziek geen benul hebbende van de herrie die ze aan het maken was. Om maar te zwijgen van het wansmakelijke beeld dat ik erbij cadeau kreeg.
Ondertussen was de indringende blik niet verdwenen. En inmiddels keek ik net zo indringend terug. Helaas, de boodschap kwam niet aan. Ik meende toch echt met een vriendelijk gezicht aan mijn reis te zijn begonnen; niet iederéén kan alleen maar indringend kijken. Dat heeft soms zo zijn betekenis.
Gelukkig kwam alles goed in Vierlingsbeek, toen de zon in volle glorie onderging, een hert in het lage licht door de akkers sprong en ik de betreffende jongedame toch maar geen klap voor haar kop gaf. In plaats daarvan vluchtte ik, om de spontane vrolijkheid niet weer in woede om te doen slaan.
En nog één tip: als je het in de toekomst onverhoopt nodig mocht vinden toch kauwgom te eten terwijl je naar muziek luistert, houd dan je ogen open. Een eventuele manoeuvre om je chagrijnige medemens te ontwijken kan dan nog op tijd in gang worden gezet.
Het is koud. De zon verlicht de rijp aan de bomen, de rode strepen aan de horizon achterlatend van haar opkomst. Er is maar één wolkje aan de lucht.
De nacht is voorbij, die volgde op de avond waarin alles perfect leek.
Als een veel te mooi verhaal. Waar ik was, was slechts een sprookje. De naam klinkt niet als zodanig, maar het is voor mij een waarheid. Rowwen Hèze. Een avond vol muziek. Compleet en niets te veel. Een gevoel of alles goed was.
Nu is het niet meer goed.
Ik zou willen dat ik zelf een man was. En volwassen. Dan zou ik ook op het podium gaan staan en muziek maken.
Nu denk ik dat ik dat niet kan. Misschien is het een slecht excuus. Ik denk van niet. Ik denk wel dat ik muziek moet maken om gelukkig te zijn.
Ik denk heel veel, veel te veel. Ik weet maar één ding: het leven is niet zo’n sprookje.
Sinds afgelopen maandag vallen paddenstoelen onder de Opiumwet. Er is inderdaad iets voor te zeggen, de hallucinerende paddo’s die zo massaal gebruikt worden te verbieden. Maar uiteindelijk bereikt niemand hier iets mee. Vandaag las ik in de krant, dat het eerste bedrijf dat paddenstoelen uit je tuin haalt, op poten is. Prachtige paddenstoelen als vliegenzwammen zijn in Nederland in principe voor uitgestorven verklaard.
Waar is het voor nodig paddo’s te verbieden? Er is nog altijd niet aangetoond dat ze daadwerkelijk leiden tot ongeoorloofde handelingen. Weliswaar wordt paddogebruik in verband gebracht met gevaarlijke situaties, maar deze aanwijzingen zijn niet significant. Dergelijke situaties ontstaan immers ook vaak zonder dat mensen paddo’s hebben gebruikt.
Naar mijn mening veroorzaakt het verbod een nieuw crimineel circuit. De onderwereld zal handenvol geld gaan verdienen aan de nieuwe wet. Dat is toch niet wat we willen? Bovendien is het dus nog maar de vraag of het paddogebruik daadwerkelijk teruggedrongen zal worden.
Het allerstomste aan de situatie waarin we ons landje weer eens hebben weten te werken, is nog wel dat half Nederland sinds maandag in overtreding is. Wie heeft er geen paddenstoelen in zijn tuin? Ik ben in ieder geval niet van plan ze weg te gaan halen. En ik weet zeker dat dat ook niet gaat gebeuren in onze tuin.
Want behalve dat het absurd is om iets te verbieden dat zich van nature overal bevindt, is het ook belachelijk om een belangrijk onderdeel van de natuur uit te willen roeien. Er zijn tientallen paddenstoelen bekend die hallucinerende stoffen bevatten. Die kúnnen we gewoon niet allemaal uitroeien.
Paddenstoelen horen thuis in de natuur. Ze zijn niet alleen erg mooi, maar ook ontzettend belangrijk voor de afbraak van afvalstoffen. Zoiets kan een minister toch niet stomweg over het hoofd zien? Hoe heeft hij het verbod in gedachten? Hoe verban je alle verboden paddenstoelen uit een land met een oppervlakte van ruim 41000 km2? Wie is de schuldige als er toch zo’n ding op een bospaadje groeit? En hoe houden we de natuur op orde als een groot deel van de natuurlijke afbraak van afvalstoffen niet meer plaatsvindt?
Het is in ieder geval zeker dat je niet van een boswachter of gemeente kan verlangen dat ze hun bossen perfect op orde houden.
Al met al zie ik geen enkele reden om paddenstoelen te verbieden. Het verbod is niet eens te handhaven! Gun je medemens zo nu en dan een pleziertje en laat vooral de natuur met rust. Alsof die tegenwoordig nog niet genoeg te verduren heeft!
en zwaaide, toen ik weg was. Het geheim dat in mijn ogen lag had zich verscholen achter de vage spiegeling van geluk. Je waardeerde de glimlach die mijn verhaal een moment onthulde. Blijkbaar zag je niet hoe leeg ik was. Er blonk iets van een leugen in mijn blik.
–
Als je het had geweten, dan was alles anders geweest. Zoals nu, twee kille woorden, de korte lach die niets vertelt. Toch weet je van niets. De leugen leeft nu boven me, waar hij zich onttrok aan ons beiden. Niets heeft nog met geluk te maken. Die ene blik was een moment dat zich niet hoorde te herhalen. En de reden dat wij dat allebei weten, heeft nooit bestaan.