“Nou, weet je nog wat voor weer we hadden toen ik met Naomi naar Walibi was? Dat was niet echt leuk.”
Terwijl ik het zeg, vormt zich een knoop in mijn maag. Er was nog best veel leuk aan die dag, totdat ik hoorde wat hij ondertussen had gedaan. Daarbij was de regen slechts een van de stofjes die opwaaiden uit zijn lakens en langzaam neerdwarrelden op de vensterbank. Het stofje had niets gedaan, de regen evenmin. Zij kenden geen schuld. Hij wel.
Ik haat de herinnering aan die dag, meer dan alle andere. Ik kokhals wel eens als ik er aan denk, zo verafschuw ik die ene gedachte.
“Maar sowieso waren op die dag alle goden tegen me.”
“Geloof je in God dan?”
Hij snapt het niet. Hij heeft geen idee van wat ik voel. Wil het niet weten, ook. En ik kan niet meer, ik wil er niet meer aan denken, niet meer over praten, niet weer teleurgesteld worden. Ik kan het niet meer. Ik zeg niks.
Totdat de tranen toch komen, uren later, als ik mezelf in zijn lieve ogen weerspiegeld zie. De woorden zijn droog op mijn lippen. De pijn, de tweestrijd. Maar vlijmscherp in mijn hart.
Terwijl de voorlichten van de trein al geruime tijd in zicht zijn, rookt iemand op het perron in de gauwigheid nog een sigaretje. Zware halen.
Als ik een roker was, dan was dit voor mij waarschijnlijk ook het moment geweest om een peuk op te steken. Stress. Wat haat ik dit. De zon al onder, het laatste beetje kleur trekt langzaam uit de hemel weg. En ik nog drie uur en een kwartier te gaan voor ik thuis ben.
Het is niet dat het niet leuk is hier, of dat ik me niet thuisvoel. Bijna alles is hier beter dan in Almelo, en toch mis ik die tijd. Want het is gewoon veel te vreselijk ver weg. Nu weet ik weer waarom de afteller loopt.
Soms voelt het gewoon beter om mezelf te slaan, of te knijpen. Om mijn nagels in mijn huid te zetten. Dan lijkt het even of ik weer scherp zie, ik weet ook niet waarom. Dan weet ik weer dat ik nog gevoel heb. Even iets van gevoel in de duizelingwekkende leegte, in deze zieke wereld. Als mijn hoofd weer niet kan bevatten waarom mensen doen wat ze doen. Als het lijkt of verantwoordelijkheden nemen wel het laatste is waar we tegenwoordig nog toe bereid zijn. Als alle moed en vreugde uit mijn ledematen wegstroomt omdat ik me godverlaten alleen voel hier. Niet weet bij wie ik veilig ben.
Even maar, heel even. Of misschien toch wat langer. Tanden op mijn lip, tranen in mijn ogen. Tot het weer rustig wordt van binnen. Totdat iemand me stevig vastpakt en het vertrouwen weer echt lijkt. Als het ooit nog komt.
Ik zou het zeer op prijs stellen als jullie stoppen met het te pas en te onpas uitzenden van reclames voor jullie programma Temptation Island. Of beter nog, het programma als geheel. Ook al heb ik het programma zelf nooit gezien, ik vind de korte stukjes al zo walgelijk dat ik er wakker van lig. Wie verzint het om met opzet te proberen om het slechtste in de mens naar boven te halen? Er zijn al meer dan genoeg slechte voorbeelden en verziekte relaties in de wereld, er lopen al meer dan genoeg mensen rond van wie het vertrouwen in hun naasten verwoest is door bedrog. Misschien moet je het zelf meegemaakt hebben om het te begrijpen. Ik zou bijna zeggen dat ik het jullie van harte gun.
Volgens jullie twitteraccount draait jullie zender om talent, humor en lef. Het verband tussen deze drie woorden en Temptation Island ontgaat mij. Het lijkt erop dat jullie juist kandidaten hebben uitgezocht die zo talentloos, oppervlakkig en laf mogelijk zijn en dat heeft zéker niets met humor te maken. Dat is bijzonder smakeloos.
Ineens word ik gegrepen. Ik verstijf. Niet dat ene nummer, denk ik, niet nu…
Het is al te laat. De muziek gaat door mijn lijf, het bloed stroomt weer door mijn aderen net als toen. De pijn, die onbeschrijflijke pijn. De doodse leegte van twee jaar geleden, kil als het winterse daglicht. Het duizelt.
Ik was minstens net zo in de war van het leven als dit nummer.
En vooral teleurgesteld. Het verdriet is nog net zo scherp als de noten. Ik wil niet herinnerd worden. Zeker niet als hij er niet is. Niet als ik in het eentje dragen moet, omdat geen enkel ander het begrijpt.
Hij begrijpt het ook niet, maar hij zal moeten. Hij zal me moeten troosten, op zijn minst.
“Je moet maar aan niemand vertellen dat je hier bent geweest.”
Dat is hoe mijn brugklasjaar eindigde. Er was nog maar één meisje in mijn klas dat met me af wilde spreken. En dat mocht de rest niet weten.
Hoe het zo ver was gekomen? Dat begrijp ik zelf nog steeds niet. Misschien was ik te gevoelig en introvert voor ze, misschien te dromerig, misschien konden ze gewoon niet uitstaan dat ik veel slimmer was. Eén ding is zeker: ik was anders en dat was blijkbaar een reden om mij buiten te sluiten.
Ik was niet goed genoeg.
En zo begon het uitlachen. Om wat ik aan had, om wat ik deed. De kleinste fout werd keihard afgestraft. Het kleinste beetje mezélf zijn werd keihard afgestraft. Ik durfde niks meer. Uiteindelijk was mijn gedachte, als ik ergens een puber hoorde lachen, steevast: ik zal wel weer iets raars hebben gedaan. En dat deed zeer. Ik hoorde nergens bij.
Het bepaalt nog steeds een deel van mijn leven. Ben ik wel goed genoeg? Ik ga er altijd vanuit dat mensen me saai vinden, of betweterig, of te verlegen. Ik ben altijd bang dat ik iets verkeerd doe tegenover mijn vriendinnen en ze daarom een tijd niks van zich laten horen. Of een afspraak afzeggen. Ik ga er altijd vanuit dat ik niet geschikt ben voor bepaalde dingen omdat je daarvoor goed moet zijn in het leggen van sociale contacten. En dat ben ik niet. Toch?
Dat ben ik wel. Alleen op een andere manier dan anderen. Ik ben alleen te bang om het te doen. Te bang gemaakt.
Ik zorg dat er overal dingen zijn die mij laten voelen dat er weer een dag, week of maand voorbij is. Van dit jaar dat wat mij betreft niet snel genoeg kan gaan. Het is niet eerlijk, de afstand die tussen ons in werd geplaatst zonder dat we iets te kiezen hadden.
En toch is het tegelijkertijd eng, dat aftellen. Want in dit jaar moet ook vanalles gebeuren. Over een jaar moet ik een proefschrift hebben geschreven. Moet ik er voor hebben gezorgd dat daar geslaagde experimenten en waardevolle conclusies in staan, en een deel al gepubliceerd is. Moet daar een student aan hebben bijgedragen onder mijn begeleiding. Moet ik en passant ook al een nieuwe baan gevonden hebben. Terwijl mijn hoofd daar allemaal niet mee bezig wil zijn. Mijn hoofd denkt aan hem, hem, hem. Eerst hem, hier, en dan kan ik de rest. Maar zo mag het niet zijn. Dus sta ik nu aan het begin van een jaar dat niet gauw genoeg voorbij kan zijn, maar tegelijkertijd veel te snel zal gaan. Dat voelt als chaos. Misschien moet ik de dagen maar gewoon laten gaan zoals ze komen. Laten komen zoals ze gaan.
Station Deventer is niet langer het overstapstation. De trein stopt en rijdt even later weer verder. Ik mis het niet om een kwartier in de kou te staan, maar toch heb ik nu al heimwee naar die periode die zondag eindigde.
Almelo was ver, Hoogezand is nog veel verder. Hoe ver ver is valt pas echt op als het eenmaal zo ver is. Drieëneenhalf uur reizen. Als je een auto hebt nog altijd meer dan twee uur.
Hoe lang houd je dat vol, elk weekend heen en weer terug? Laten we zeggen een jaar. Dat is net genoeg.