De trein rijdt door het donker. Ik denk aan vroeger, toen mijn ouders nog geen van beiden een rijbewijs hadden. De hondenkoppen die zich een weg baanden door de avond. Lichtjes trokken voorbij in de verte, maar meestal keek ik daar niet naar, want er was altijd genoeg te doen. Het koffertje met spelletjes dat je bij de Railrunner kreeg. Toen Vierlingsbeek nog een stationsgebouw had, mét loket. Door de conducteur gaatjes in je kaartje laten knippen in de vorm van een locomotiefje. Toen er nog op elke trein een conducteur zat. Door de gangpaden rennen, toen ik nog klein genoeg was om onbeschaamd nieuwsgierig te zijn. Eten, toen mijn moeder nog voor wat lekkers zorgde. Of slapen, want wanneer was ik nou vermoeider dan na een dag spelletjes doen met opa en oma?
Ik vond het allemaal even leuk. Alleen het dwergsein op het station in Aalten, daar was ik altijd een beetje bang voor. Niemand weet waarom.
Als ik nu in de trein zit en naar de lichtjes kijk, voelt het nog even zoals toen. Toen het leven nog overzichtelijk was. Spelen, eten en slapen. Dat het engste wat je had gezien in je bestaan een dwergsein was. Heel misschien ben ik er nog steeds een beetje bang voor.
Ik veel te vrolijk, jij veel te dronken. Op onze nette schoenen. Wie er om ons heen stond deed er even niet toe. We zongen en speculeerden over basloopjes en saxofoonsolo’s.
“We kunnen wel een band beginnen met zijn tweeën”, zei je.
Ik keek in je ogen.
“Ja”, zei ik.
Het kan met jou alle kanten op als je te diep in het glaasje hebt gekeken. Maar dronken of niet, als je per ongeluk met een te leuk idee komt houd ik je er aan.
Een eenzame knoestige boom op de braakliggende akker. Zoals je vroeger veel vaker zag: zo’n boom die eigenlijk in de weg staat, maar waar jaar na jaar netjes omheen wordt geploegd. En oud is hij, deze boom. Een joekel.
Iets is er anders dan anders. Het zijn de vogels die in de hoogste takken zitten. Duiven zijn het. Dat zie ik niet aan de kleur, want ze zien evenals de boom zwart tegen het zachte ochtendrood, maar aan hun breedgeschouderde gestaltes. Een onheilspellend aangezicht bijna.
Maar vooral een aangezicht zo mooi dat ik van mijn fiets stap, hem in de berm zet en een stukje terug loop om een foto te maken. Ik til mijn telefoon op en… alle duiven vliegen weg.
De boom geeft geen krimp. Zo knoestig en sterk. Ik wel. Mijn schouders zakken teleurgesteld naar beneden en ik kijk van de in de verte verdwijnende vogels naar de grond. Realiseer me dat het enige wat ik overhoud aan dit avontuur mijn natte schoenen zijn.
En toch nog iets, bedenk ik me als ik even later weer op de pedalen trap: het beeld in mijn hoofd dat ik altijd nog kan uitdrukken in woorden.
Er liep een H&M-meisje door de straat. Te hoge hakken, te grote passen, lang golvend haar in een kaarsrechte scheiding. En een nietszeggende, te wijde crèmekleurige jas onder haar sluwe blik. Zo standaard dat het lelijk was. En zo lelijk dat het opviel.
Zij viel op.
In de etalage zag ik een kleurrijk geheel. Turquoise, blauw en een beetje rood. Afgemaakt met zwart. Het stond goed bij de blonde krullen en bleke huid. Maar toch stond er niemand. Ik was het zelf. En mijn gezicht sprak niet, geen woord.
Ik ging naar huis.
Ze zeggen dat je de weg niet op kunt. Maar ik kan dat. Ik weet zeker dat ik het nog kan.
Ik kijk naar de stapel spullen naast me. Koop ik nou zo vaak overbodige rotzooi, of is het echt zo lang geleden? “Waarschijnlijk allebei”, zeg ik hardop tegen mezelf terwijl ik verder graaf richting de verste hoek van de zolder. “Tijd om er iets aan te veranderen.”
Eindelijk zie ik daar een stukje van het patroon dat ik zocht. Breek nog bijna mijn nagel terwijl ik de oude sporttas tevoorschijn trek. Dat dit ooit in de mode was… Maar daar gaat het niet om. Ik trek de tegensputterende rits open en het eerste wat ik zie zijn de beschermers, die ik ook maar meteen loshaal. En dan kijk ik naar het blanke ijzer. Yes. “Yes!” Goed ingevet. Ik wist het; hoe lang je ze laat liggen maakt dan niet uit. Scherpgeslepen en geen plekje roest. Ik haal mijn hagelwitte kunstschaatsen uit de tas, doe de beschermers er weer om en trek ze aan. Wat kan mij het schelen. Al klunend de trappen af, jas aan, sjaal, handschoenen, muts en door de voordeur naar buiten. Halverwege de tuinpad begint het al. De beschermers gooi ik op de deurmat en daar ga ik.
Onwennig, want het is moeilijk vertrouwen als je onder je tegels en asfalt ziet. Maar al snel merk ik dat ik nergens bang voor hoef te zijn, de ijslaag is dik en overal doorzichtig, vrij van luchtbellen. Dus zet ik koers richting de andere kant van het dorp. Door de lege straten, langs stilstaande auto’s, en al snel sta ik voor de poort die ik zocht, die nooit meer veranderd is. Nooit ijsvrij gehad toen ik hier op school zat, dus ik heb wat in te halen. Ik duw op de klink die zonder moeite omlaag gaat. De onderkant van de poort schaaft over het ijs. Hij is open! Voor me ligt het schoolplein. Verlaten, een uitgestrekte spiegelgladde ijsvloer. Het pirouettenparadijs.
De mensen om me heen. Ze doen maar, gaan elke dag door alsof het niks is. Zouden zij beseffen hoe het is als je het gevoel hebt dat je jezelf bent verloren? Dat je niet meer mag zijn wie je bent?
Natuurlijk niet. Ik wist evenmin dat het bestond, totdat het stomweg gebeurde. Ik ken helemaal niemand die dit begrijpt. De angst dat je het allemaal verkeerd doet. Dat hoe je denkt en altijd gedacht hebt je nu en hier ongelukkig maakt, dat je te anders dan anderen bent. Maar wat als je niet kunt zijn zoals zij? Het gevecht met jezelf om dingen te kunnen accepteren, de verwarring en frustratie als het weer niet lukt. Eindeloos, en hoe langer het duurt hoe verscheurender de gedachte om op te moeten geven. Na al die jaren, geen weg terug. Dus ga je door en je peinst. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. Waarom kan ik dit niet, waar is mijn ruimdenkendheid gebleven sinds die tijd? Is het dat ik zo opgevoed ben, is het mijn gevoeligheid, is het de pijn? Wist ik het maar. Er is nog steeds geen plek voor dit verdriet, laat staan een oplossing. Dus blijft het, voor god weet hoe lang.
Terwijl je diep van binnen weet dat je helemaal niet, nooit, anders dan jezelf wilt zijn.
Half vier. Ik fiets naar huis. Voor mijn gevoel is het nog vroeg, maar de hemel wijst me even terecht door in de verte al oranje te kleuren. Wijst me dubbel terecht, want: oh ja, vroeg donker, het is winter. Waarom fiets ik hier dan zonder handschoenen? Het is wat Mille Pagine, ook zonder handschoenen, een paar uur daarvoor tegen me zei: moeten we ons nu zorgen maken?
Ik weet het niet. Ik maak me wel zorgen, maar meer door de cijfers – drie graden opwarming van de aarde als we geen verdere maatregelen treffen – dan door het weer. Het is wel vaker laat winter geworden, en ook schijnt het zo te zijn dat de zonnecyclus ermee te maken heeft. De zon heeft nu een paar jaar een actievere periode en daardoor is het warmer. Maar toch, het is wel ongewoon zacht. Is global warming de factor die ervoor zorgt dat alle records verbroken worden? Dat komt dan wel ineens dichtbij. En het ergste is dat het de meeste mensen niet eens aan het denken zet, want iedereen vindt het alleen maar leuk. Hoe warmer, hoe beter. Toch?
Ik vind van niet. Waar is mijn natuurijs? En dan heb ik het nog niet gehad over de plaatsen waar het té warm wordt. En die waar mensen het water tot aan de lippen krijgen. Letterlijk. Naar die plekken gaan warmte-aanbidders natuurlijk weer net níét op vakantie.
Ik heb een probleem. Ik lijd aan geheugenverlies. Ja, het is echt waar, de 25 gepasseerd en meteen begint het: de eerste tekenen van het ouder worden. En mijn blog is daar de dupe van. Want:
– In drukke tijden met de blog bijna onderaan het prioriteitenlijstje (eten, slapen, werken, socializen, sporten, poetsen en zingen is maar een greep uit dingen die voor gaan) en áls ik er aan denk ben ik hoogstwaarschijnlijk met iets anders bezig of moet ik daar nodig aan beginnen. Als ik eenmaal tijd heb om te bloggen… Juist, dan ben ik het meestal alweer vergeten.
– Mocht ik het niet zijn vergeten, ga ik met goede moed achter mijn computer zitten maar die zakt me meestal al snel in de schoenen. Ik meende me toch echt te herinneren dat ik meerdere goede blogonderwerpen had bedacht maar welke? Geen flauw idee.
– Als ik toch nog iets weet (te bedenken) begin ik maar eens met eerst drie oude wachtwoorden van mijn WordPress intypen en dan pas het goede. Om er vervolgens achter te komen dat ik WordPress al drie maanden moest updaten omdat ik ook dat steeds vergeet. Na wat uoggen (uog = update-ontwijkend gedrag, red.) is mijn tijd om te bloggen meestal alweer om. Of erger nog, ik bedenk me ineens dat ik iets anders, belangrijkers, ben vergeten te doen. De afwas ofzo.
En zo verschijnt er dus nauwelijks wat op mijn blog. En hoe het dan zit met reageren op andere blogs? Vergeet ik ook de helft van de tijd. Sorry!
Langs de Rijksweg loopt een vrouw met een hoofddoek. Op een plek waar geen enkele persoon die beschikking heeft over een auto of fiets zou lopen. Of hoogstens met de hond. Maar deze vrouw heeft geen hond, alleen een plastic tas. Bovendien is het niet al te ver van Heumensoord vandaan. Het is de eerste keer dat ik iemand zie die ik als vluchteling herken.
In het voorbijgaan zie ik haar gezicht. Een doorleefd gezicht. Hoe oud zou zij zijn? Wat zouden die ogen gezien hebben? Helpt het als ik dat zou weten? Ik, hier in Europa, kan toch niet bevatten hoe het is. En dat hoeft eigenlijk ook niet, want er is in ieder geval één ding wat we allemaal weten: er zijn landen in oorlog en niemand van ons zou daar willen wonen.
Ik snap niet waarom we doen alsof deze mensen misdadigers zijn. Met Kerst zingen we over vrede. Maar krijgen we de kans om mensen daadwerkelijk vrede te geven, dan sturen we ze blijkbaar liever terug naar de oorlog. Laten we er eens even over nadenken of dat wel rechtvaardig is.