“Zeg eens iets?”
Ik kan zo lang kijken als ik wil, maar de lippen op je foto bewegen niet en evenmin voel ik je armen, waarvan ik me in probeer te beelden dat je ze om me heen geslagen hebt. Zelfs je eau de toilette ruikt niet hetzelfde zonder jouw huid.
Waarom moet je toch steeds weg. Komt er ooit een eind aan? Zou je ooit voor mij kiezen? En in hoeverre durf ik te kiezen voor jou?
Ik tel de dagen. Maar het aftellen begint steeds opnieuw. Het wordt te veel. De onrust voor je afscheid begint alweer voordat je er überhaupt bent.
Ik blijf achter met je foto.
“Zeg alsjeblieft dat je ooit voorgoed naar hier komt.”
Lees je ineens: “De schijf van vijf voor een geslaagd liefdesleven. En daarin is geen plek voor monogamie.”
Dat tergt me direct tot op het bot, dus ik lees verder. Blijk ik voor de tweede keer – de eerste keer ging dat op dezelfde manier – een interview met ene Simone van Saarloos aan het lezen te zijn. Dat eerste interview was al niks beter. Deze filosofe heeft bedacht dat ze niet genoeg heeft aan één relatie. Prima, moet ze zelf weten – zolang ze daar eerlijk in is richting haar partners – maar nu probeert ze heel Nederland haar mening over ‘het monogame drama’ door de strot te duwen. En bij journalisten gaat het er blijkbaar in als koek. Ze vergeten prompt elke vorm van wederhoor toe te passen.
Nou, dat wil ik dan wel even doen. We leven in een tijd waarin, als ik het goed heb, de open relatie aan terrein wint. Hier zou je allerlei verklaringen aan kunnen hangen, maar misschien is de verklaring wel simpelweg dat dat soort relaties gewoon slechte relaties zijn. In ieder geval vinden wetenschappers steeds meer bewijzen dat monogamie, nu nog vaak afgedaan als een gevolg van ouderwetse waarden en normen, wel degelijk in onze natuur zit.
Eigenlijk hoef je zelfs helemaal geen wetenschapper te zijn om dat te bedenken. We weten allemaal dat de natuur niets voor niets verzint. Dus ook verliefdheid niet. Blijkbaar is het voordelig om bij elkaar te willen zijn en daar zit ook wel wat in, je kunt namelijk samen voor je kinderen zorgen en ze beschermen. Het zou eventueel wel zo kunnen zijn dat het natuurlijk is om meerdere relaties ná elkaar te hebben, maar het hebben van meerdere relaties tegelijk is dat niet. Het argument van Van Saarloos dat het falen van monogame relaties wordt bewezen door het oplopende aantal scheidingen houdt dus al geen stand.
Van Saarloos lijkt de optie om (echt) verliefd te worden of kinderen te krijgen totaal te vergeten. Ze denkt eigenlijk vooral aan zichzelf. De optie om in plaats van vele partners, één partner en veel vrienden te hebben, is evenmin in haar opgekomen. En dat terwijl ze haar polygamie liever polyamorie noemt, het liefhebben van meerdere personen. Ze probeert ons voor te houden dat het hebben van meerdere relaties de enige manier is om veel mensen in je hart te sluiten. Nou, volgens mij niet. Sterker nog, volgens mij is een vriendschap veel duurzamer dan een net-niet-relatie. Ik vind het toch bijzonder dat een filosoof die optie over het hoofd ziet. Maar wellicht komt ze er over een paar jaar vanzelf achter.
Hoe dan ook, uiteindelijk moet iedereen natuurlijk zelf weten wat voor relaties hij of zij aangaat. Maar om te beweren dat monogamie niet in een geslaagd liefdesleven past gaat echt te ver. Mag ik dat alsjeblieft zelf bepalen?
Het is laat. Ik kom thuis in een heldere nacht. In de tuin blijf ik staan en kijk ik naar de sterren. Zoek tevergeefs naar de grote en kleine beer, hoofd in mijn nek. Ik zie alleen het superkleine steelpannetje in het zuiden dat ik ooit embryobeer heb gedoopt.
Ik denk aan wat astronomen ons leren. De sterren, zo ver weg. En het zijn er zo veel. Tussen de heldere sterren zie ik minder heldere, het is onvoorstelbaar dat dit eigenlijk enorme zonnen zijn.
En ik, ik draai er onderdoor. Tenminste, het is maar net wat je onder en boven wilt noemen. De Aarde zweeft ook maar ergens in het heelal. Wat beteken ik op deze kleine planeet? Waar maak ik me elke dag druk om? Wat betekenen wij als mensheid? Hier, onder de sterren, voel ik me zo klein. Voel ik me zelf een beetje embryobeer.
Het ging allemaal zo dat het leek alsof het enkel aan mij lag. Eerst het niet kunnen slapen. Toen de angst. Het gevoel niet in deze wereld te horen, de conclusie dat ik hooggevoelig was. De somberheid. Geen zin meer in het leven.
En toen kwam de waarheid naar boven, de nietsontziende waarheid. Alles draaide om. Eerst mijn maag, toen mijn leven. Ik begon te zien dat het helemaal niet aan mij had gelegen. Maar ook werd pijnlijk duidelijk hoe makkelijk iemand je, onbedoeld zelfs, kan vernederen. En dat verdriet vergeet ik nooit meer. Aan dat verdriet word ik nog dagelijks herinnerd als ik mensen de fouten zie maken die een ander kunnen schaden.
Hoe één persoon vanzelfsprekend geluk kan uitwissen en vervangen door bittere zorgen.
Ik loop over het lab dat een oude bekende van mij is en kijk naar buiten. Het sneeuwt zachtjes, de eerste sneeuwvlokjes van het jaar. Net als toen.
Vijf jaar geleden is het alweer dat ik werkte op dit lab. Zoals nu was het eind november toen het begon. Het sneeuwen. Ik herinner me nog dat ik de vlokjes zag, naar dit raam liep, en met mijn ellebogen op de vensterbank leunde om te kijken naar het dwarrelen. Alles achter me even vergetend.
De beide mannen die op dat moment op het lab waren vroegen zich blijkbaar af wat ik daar deed. Ze kwamen, in dezelfde houding als ik, aan weerszijden naast mij staan. Geen slechte uitgangspositie. Best een tijdje stonden we daar. Ik droomde weg. Niet over die mannen, maar over de sneeuw. Een dun wit laagje vormde zich in het gras, drie verdiepingen onder ons, witter dan onze labjassen. Liefst was ik blijven staan tot zelfs het langste sprietje niet meer te zien was.
Dat was het begin van een prachtige winter. Het zou de eerste dagen niet ophouden met sneeuwen. Wekenlang bleef het liggen en natuurijs liet niet lang op zich wachten.
Vijf jaar geleden. Vroeger.
Ik kijk naar beneden, naar het gras. Groen. Het vriest niet, waarom zou het ook? Het leven is veranderd. Dingen komen de laatste jaren niet meer vanzelf, lijkt wel. Wat overigens niet wil zeggen dat het nooit meer kan worden zoals toen.
Sluierwolken schuiven voor de maan langs. Alsof ze haast hebben, zo snel en vastberaden.
Hoe anders fiets ik hier. De wind in mijn gezicht, haar door de war, en nauwelijks kom ik vooruit. Wat geeft het. Thuis ben ik niet minder alleen of teleurgesteld.
De traan op mijn wang waait half weg. Ach, niets helpt. Waar ik het allemaal aan verdiend heb weet ik nog steeds niet. Het lijkt wel of ik gevangen zit in mijn eigen karakter. Vastberaden om niemand onnodig pijn te doen. Ik zou ergens willen dat ik anders kon, want wat krijg ik terug voor al die moeite? Onnodig veel pijn is mij allang gedaan.
Te goed. Ik ben veel te goed voor deze wereld.
Soms zou ik willen dat ik met een storm wegwaaien kon.
Ik word er moedeloos van. Dat het op tv al vijf dagen over niets anders dan terroristen gaat. Dat we met zijn allen roepen dat we de angst niet mogen laten overwinnen, maar ondertussen wel grote evenementen afgelasten. Dat Wilders alweer de grootste mond heeft van iedereen en de samenleving nog meer met de nek kijkt naar moslims en vluchtelingen. Dat er nóg meer gevechtsvliegtuigen naar het Midden-Oosten gaan.
Ik kan er niet meer tegen. Hoe moet je hopen dat het ooit beter wordt als het zo gaat? Waarom reageren wij net zo xenofoob als zij? De strijd wordt alleen maar harder. Als wij denken dat onze vrijheid juist is, waarom handelen we daar dan niet naar? Ik wil het allemaal niet meer horen, en zeker Wilders wil ik niet horen. Hij is zelf een terrorist, maar dan met woorden.
Vluchtelingen verdienen nog steeds een kans. Ze zijn tenslotte op de vlucht voor precies dat wat ons nu bang maakt.
Ik begrijp zelfmoordaanslagen niet. In ieder geval niet diegene die worden opgeëist door een terreurorganisatie. Als zo’n organisatie probeert je zo ver te krijgen dat je je leven opgeeft, zou je dan niet denken: waarom doe je het niet zelf? Oké, natuurlijk. Er is het argument dat zo’n organisatie uit elkaar valt als er geen vaste leider is. Maar dan nog.
Zou er geen stemmetje in je hoofd zijn dat zegt dat die mensen slechts misbruik maken van jouw leven? Zou er nooit door je hoofd gaan dat die mensen handelen uit eigenbelang? Dat ze aan de macht proberen te komen over de rug van wanhopige mensen? Dat ze het onrecht wat je naasten generaties lang is aangedaan alleen maar verder in de hand zullen werken omdat het ze helemaal geen moer kan schelen waarvoor jij sterft? Omdat juist door hen het geweld en onrecht alleen maar voortduurt, overal ter wereld?
Zou het ook dit jaar weer lukken? Dat is altijd maar weer de vraag, en zoals gewoonlijk duurt het langer dan we denken, krijg ik er een zenuwenmaag van.
“Als die deuren nu niet open gaan…” Prompt zie ik iets bewegen en slaan alle deuren onze kant op. Oog in oog met een van de bewakers die na het openen niet weten hoe gauw ze aan de kant moeten springen. Rennen. Rennen! Half struikelend over mijn eigen benen een zee van flitsende camera’s tegemoet. Maar daar gaat het niet om. Daar moet ik omheen, verder, naar de andere kant van die tent die zo ontzettend groot is als hij leeg is. Halverwege haalt iemand me met een rotvaart in. Geeft niks. Ik hoef niet de eerste te zijn. Als we maar een goed plekje hebben. Middenvoor is niet de meest geliefde plaats, omdat het gebeuk er het hardst is. Maar wat kan ons dat schelen? Het zicht is er het best en met de dranghekken in het vizier ren ik als vanzelf.
“Zijn jullie weer een beetje fris?” vraagt Tren de volgende ochtend. Hij wijst vanaf het podium naar beneden. “Jullie stonden gisteravond daar vooraan in het midden.”
In april boekten we voor het zesde jaar op rij kaartjes voor de Slotconcerten van Rowwen Hèze. Je zou misschien denken dat het na zoveel keer gaat vervelen. Maar Rowwen Hèze gaat nooit vervelen, want ze komen altijd met iets nieuws. Zo was het optreden met zes gastmuzikanten tijdens deze editie een schot in de roos. Maar er was meer.
Wat we in april nog niet wisten, was dat deze band met een initiatief zou komen waarvan iedereen met zijn oren stond te klapperen. Ze wilden voor hun dertigjarig jubileum een single opnemen met iedereen die maar mee wilde doen. Wie mijn weblog volgt weet het: ze kregen het voor elkaar en zus en ik deden mee. Op 30 september kwam de single Gebrouwe in Limburg uit. En enkele dagen later kregen we een uitnodiging. Op de slotconcertzondag zou Gebrouwe in Limburg éénmalig live uitgevoerd gaan worden.
En dus was het nog niet allemaal voorbij toen we gisterochtend na vijf uur slaap wakker werden met spierpijn en enkele beurse plekken. Bepakt met een accordeon en heel veel keelsnoepjes om de stembanden – voor zover dat nog mogelijk was na een avond schreeuwen – weer in vorm te krijgen reden we door de optrekkende ochtendmist en de uitgestrekte Limburgse velden terug naar waar we ’s nachts vandaan waren gekomen. En enkele uren later stonden we op het podium met Rowwen Hèze en nog 280 andere muzikanten, voor een uitverkochte tent.