De branding is als een muur waar ik tegenop kijk. Het is net of de golven veel hoger zijn dan ik en me komen opslokken. Later zou ik erachter komen dat dat deels waar is. Er is een ondiep deel verderop in zee waarover de schuimende koppen hoog opbollen. Je staat er slechts tot halverwege je onderbenen in het water, de ruige klappen van de omrollende golven opvangend, het zout spattend tot in je gezicht.
Zo zou het altijd wel mogen zijn. De zon laag, de oceaan bijna net zo blauw als de hemel. Koel, niet koud. Verfrissend. Het zand zacht tussen je tenen, geen gevaarlijke beesten, geen harde stenen. En dan het plagerig stoeien, een samenspel van wind en water. Hoe het je duwt en trekt. De tijd staat er nooit stil. Niets verveelt.
“Oktober overvalt ons ieder jaar.”
Ik vond die tekst van Bløf altijd maar raar. Ik had nooit moeite met de herfst.
Maar alles veranderde. En nu overvalt oktober me ieder jaar. Nu is de herfst als een struikrover tussen de verkleurende bladeren. Als een schurk die me aanvalt uit het niets en mijn dromen steelt, mijn hoop vermoordt. De herinneringen aan de pijn waaien door de kille lucht. Rijten de littekens op mijn hart weer open. Het regent er naar binnen in oktober.
“Oktober is de wreedste maand,
oktober,
met de dingen die voorbij gaan maar wel ergens blijven hangen.
Ze komen steeds weer bij ons terug,
ergens in oktober.”
Het is net alsof ik de tijd nog terug zou kunnen draaien. Het is net alsof het iets uitmaakt dat het vandaag twee jaar geleden is, alsof ik nog naar binnen zou kunnen lopen en zeggen: doe het niet. Doe het alsjeblieft niet.
Ik kan zo vaak naar binnen lopen als ik wil, maar niets verandert en de minuten verstrijken, hoe tergend langzaam ook, ze verstrijken. De tijd glipt voor het derde jaar weg tussen mijn vingers terwijl ik eenzaam wakker lig op de plek waar het gebeurde.
Veel verandert, maar pijn die is geweest kan nooit meer uit het verleden worden gewist. Zoals die over het begin van een relatie, verstrikt geraakt in een geheim, in ontrouw en afvalligheid. Oktober. Wat een mooie herinnering had moeten worden, vuil als een dief in de klamme nacht. Morgen zijn we twee jaar bij elkaar, maar morgen vier ik helemaal niets.
Volgens mij heb ik wat uit te leggen. Gisteravond was ik bij een concert (of misschien moet ik hier in Nederland zeggen hét concert) van Take That. Wie had nou gedacht dat ik ooit naar een concert van een boyband zou gaan? Ik drie dagen geleden in ieder geval nog niet, maar Naomi zocht op het laatste moment nog iemand die mee wilde, en toen dacht ik: waarom ook niet.
Dus zodoende. En dan sta je ineens te luisteren naar muziek die overwegend nieuw voor je is en word je desondanks langzaam meegezogen in een stroom van nostalgie. Terwijl de meeste liedjes van na hun comeback zijn. Terwijl ik zelf amper zes was toen ze uit elkaar gingen en er in mijn jeugd dus bar weinig van heb meegekregen. En toch ga je in gedachten terug naar toen. Een ’toen’ rondom deze band dat wellicht nooit echt bestaan heeft, alleen leeft in je veronderstelling van hoe het was, een veronderstelling die zich later pas gevormd heeft tussen je oren. Misschien daarom juist wel zo perfect.
Eerst vond ik het nog jammer dat Robbie Williams er niet bij was, maar nu denk ik dat het juist beter was. Robbie steelt anders toch de hele show. Hadden we lang niet zo dichtbij kunnen staan ook. En eerlijk is eerlijk: Mark Owen en Gary Barlow zijn veel aantrekkelijker. Voor wie nu denkt: ze zijn toch met zijn drieën? Ja, maar wat betreft Howard Donald ben ik er nog niet uit, sorry. Ik zou ze van tevoren allemaal niet herkend hebben, daar niet van, maar als ik dan toch naar een boyband ga bekijk ik dat natuurlijk wel gelijk even goed hè.
Of het was gewoon zo aantrekkelijk omdat het in mijn hoofd nou eenmaal niet anders dan perfect kon zijn door alle valse herinneringen die het oproept. Hoe dan ook, het was leuk. Bijkomend voordeel: ze zijn er sinds de jaren ’90 alleen maar knapper op geworden. Nostalgie of niet.
Het is een magische wereld. De eerste dag van oktober, en het zonlicht wordt langzaam zacht. Maar de lucht is nog warm. Het pastelblauw van de hemel, zilver bijna, alsof de zon zich in de atmosfeer heeft uitgesmeerd. Maar de stralen tussen de bomen doen anders verraden. Het mos in de schijnwerpers is nat, op hen valt de regen van kleuren die zich mengen waar de prille herfst nog toegeeft aan een laatste zomerdag, de mist al opgetrokken, niets dempt nog het paneel van groen en geel. Het groen en geel dat vermengt tot goud, een goud dat zacht ritselt in de avondbries, sprankelt als de ogen van een kind, een goud dat heel de wereld op doet lichten en bemint. Kraakhelder en toch zo mild. Onbegrijpelijk hoe elegant.
Tot het geel oranje wordt, en het oranje okerbruin, de zon wegzakt in het land. De avond gevallen, maar de stilte doet nog uren denken aan wat op het netvlies brandt.
Een slang krult tussen de rotsen. Lang en dun, wiegend langs het vochtige groen, hier en daar een schedel in het gras. Daar trekt het serpent zich niks van aan, want ze maakt zelf genoeg kabaal. Sissend en gillend.
De waanzin voorop, de horizon drie keer over de kop en meer. De weg kwijt tussen de watervallen, tegen de klippen op en weer naar beneden. Niet bij te houden, niet te vergeten. Zon of regen: de wind waait, de grond trilt, en de g-krachten zijn onverbiddelijk.
Tot de trein in het donker weer tot stilstand komt.