Ik kijk naar je gezicht. Grote bruine ogen, een baard van twee dagen, je haar door mij geknipt. Ik zou mijn lippen op de jouwe willen drukken, ik zou je schouders willen vastpakken en tegen me aan klemmen, ik zou met mijn duimen langs je donkere wenkbrauwen willen gaan. Maar dat kan niet, niet nu.
Hoe je lacht, hoe je wegloopt en weer terugkomt, hoe je mijn naam noemt en ondeugend naar me kijkt. In het avondlicht. Dan wil ik gewoon mijn armen om je heen. Maar je bent veel te ver weg. Ik moet al blij zijn dat ik je kan zien, en horen. Dat je via mijn beeldscherm toch een beetje aanwezig bent. Dat is fijn. Maar stiekem, heel stiekem, mis ik je zo misschien nog wel het meest.
Helaas ben ik op een punt beland dat ik niet echt aan zag komen. Jarenlang zag ik mezelf als de eeuwige blogster. Keek ik ver vooruit, bijvoorbeeld naar de duizend blogposts die ik wilde halen op mijn tienjarig bestaan. Dat gaat overigens niet meer lukken, maar ik moet een eind in de negenhonderd kunnen komen – mits ik het nog een ruim jaar volhoud. Maar ineens vroeg ik me af voor wie ik het bloggen eigenlijk nog doe. Het aantal reacties op mijn weblog is zo goed als op het nulpunt aangekomen en de blogs die ik volg worden er gemiddeld ook niet actiever op. Vind ik het zo eigenlijk nog wel leuk? Ik zal maar eerlijk zijn: nee. Ik heb geen zin om een hoop moeite te steken in een blog als ik daar bijna zero respons op krijg.
Doe ik iets fout? Of is het bloggen zo veranderd in die jaren? Het lijkt wel of er bijna niemand meer is die de plezier aan het bloggen haalt uit de interactie met andere bloggers. Regelmatig bezoek ik via via blogs die nieuw voor me zijn en dan laat ik een reactie achter. In de beginjaren kwam het zelden voor dat je geen reactie terug kreeg, maar nu hoef je echt niets te verwachten. Sowieso zijn de meeste bloggers die nog heel actief zijn ook tegelijkertijd heel populair. Met andere woorden: mij hebben ze niet nodig met m’n suffe schrijfsels op een groene achtergrond. Maar ik wil niet zo’n popiejopie lifestyleblog zijn, want daar zijn er meer dan genoeg van en dit is wie ik ben, ingetogen, romantisch, genietend van de kleine dingen, zonder er steeds bij stil te willen staan hoe je dat bereikt (want dat heb ik de laatste jaren al veel te veel gedaan – noodgedwongen). En het stomste is nog wel, als ik dan een keer een mening heb komt daar tegenwoordig ook bijna geen reactie meer op.
Ik schrijf dit in de hoop dat iemand van de weinige lezers die ik nog heb weet wat hier gaande is. Is een nieuw blogtijdperk aangebroken? Of zijn de bloggers zoals ik er nog wel degelijk, maar zoek ik ze op de verkeerde plek? Waar kan ik ze vinden?
In het kader van de klimaatzaak riep ik de VVD op om iets te doen tegen klimaatverandering. Enkele dagen later plofte dit in mijn inbox:
“De VVD erkent dat er sprake is van een klimaatverandering en de gevolgen die dit met zich meebrengt. Daarom wordt op basis van het regeer- en energieakkoord flink geïnvesteerd (jaarlijks vele miljarden!) om sneller te komen tot meer duurzaam opgewekte energie. We moeten echter niet de maatschappelijke impact uit het oog verliezen. Een hogere CO2-reductie betekent politieke keuzes maken. De VVD wil niet naar een situatie waarin elektriciteit onbetaalbaar wordt. Of een situatie waarin we beperkt mogen autorijden en nog maar één keer per jaar mogen vliegen. Andere voorbeelden zijn het plaatsen van nog meer windmolens, het verbieden of ontmoedigen van vlees eten en het verplicht isoleren van uw eigen woonhuis. Stellen we strengere eisen in ons land aan bijvoorbeeld de zware industrie, dat kan dat leiden tot het verlies van banen en een verplaatsing van productie en uitstoot naar elders in de wereld. Zo verschuif je het probleem. Het is gecompliceerd; dé oplossing van klimaatverandering bestaat niet. Een belangrijke sleutel tot vooruitgang ligt volgens de VVD binnen de samenleving zelf: bedrijven, wetenschap en individuen die samenwerken, moderniseren, werken aan innovatie en het verspreiden van kennis. De overheid neemt belemmeringen weg en stimuleert ondernemerschap en innovaties die ons verder helpen. Zo kan Nederland mondiaal gezien ook een aanzienlijke bijdrage leveren. Denk aan onze kennis van landbouw of waterbeheer. Het is zaak dat de rest van de wereld meedoet, iets waar we ons voor gaan inzetten tijdens de komende klimaattop in Parijs. Nederland of Europa alleen zal namelijk het verschil niet maken.
Het is belangrijk om het internationale perspectief voor ogen te houden. De VVD let daarbij ook op het draagvlak in de samenleving en de portemonnee van de hardwerkende burger, voor nu en in de toekomst.”
Ja, inclusief de dikgedrukte woorden. Mag ik even lachen huilen?
Ik stuurde het volgende terug:
“Ik ben van mening dat de politiek meer moet doen om klimaatverandering tegen te gaan aangezien we niet weten hoe groot de gevolgen kunnen zijn. Uw beleid, waarbij u maatregelen deels laat afhangen van het bedrijfsleven, is veel te risicovol. Bedrijven handelen tenslotte vanuit winstoogmerk en de gevolgen voor het klimaat kunnen alle kanten op slaan. Mooie woorden over werken aan innovatie en kennis, maar ik als fundamentele wetenschapper zie de geldkraan voor (winst)onafhankelijk onderzoek en onderwijs dichtgedraaid worden. Waarom afwachten tot het misschien te laat is, terwijl de politiek nú iets kan doen, namelijk de eerste stappen zetten richting inderdaad de mogelijkheden die u als een soort dreigement aandraagt, het bemoedigen van duurzaam omspringen met energie? We kennen de oplossingen, dus waarom uitstellen? Ik ben het met u eens dat het een probleem van de gehele wereld is, maar we moeten ergens beginnen. Ik geloof er niet in dat de problemen zich geheel zullen verschuiven, al is het maar omdat er heel veel hardwerkende maar ook welwillende burgers zijn, zoals ik, die alleen een duwtje in de rug nodig hebben.”
Nou had ik me voorgenomen om vandaag een nieuwe blog te schrijven. Maar soms wil je helemaal geen nieuwe blog. Niet omdat je inspiratieloos bent, of te druk, of lui, maar omdat de vorige blog gewoon nog te leuk is. Echt, ik ben nog steeds volop aan het nagenieten van alles wat ik afgelopen zondag heb meegemaakt. Omdat het bijzonder was. Omdat het ongelofelijk leuk was om te doen. Omdat ik superbenieuwd ben wat het resultaat wordt. Omdat het smaakt naar meer, en ik weet niet of er ooit meer komt, maar juist daarom wil ik nu gewoon nog even als een kind zo blij zijn. Mag het?
Vroeg op pad. Met een accordeon, twee paar stembanden en tien vingers. Naar Roermond, want zus en ik waren uitgenodigd om mee te doen aan opnames voor een Rowwen Hèze-single.
Dat accordeonding van zuslief is dus niet te tillen. (Oké, oké, ja ik ben stikjaloers, en het zal vast niet lang meer duren voor ik ook met zo’n ding loop te zeulen, maar feit blijft: niet te tillen.) En dan loop je zo’n enorm theaterhotel binnen, waar je honderden mensen verwacht aan te treffen voor diezelfde opnames, wat denk je? Leeg. Dus zoeken, met die kast van een koffer, trap op, trap af, maar niemand die voor de opnames lijkt te komen. Alleen een deur naar het artiestencafé die ongewoon wijd open staat. En achter die deur? Ook niemand.
Goed, om een lang verhaal kort te maken: we moesten wel degelijk in dat artiestencafé zijn – wat op zich al een eer is – en we waren domweg de eersten. Uitgerekend wij waren ingepland als de eerste deelnemers van de eerste opnamedag. En dan sta je voor je het weet oog in oog met je favoriete artiest, Tren, de accordeonist van de band maar ook producer van dit hele gebeuren.
Vanaf dat moment voelde alles verbazingwekkend vertrouwd. Misschien is het omdat ik die gezichten al zo vaak van dichtbij gezien heb, ook al zijn ze onaanspreekbaar op dat podium. Misschien is het omdat ik Tren al eerder ontmoet heb. Misschien is het omdat hij niet zulke flatteuze slippers aan had (dus zelfs hij is niet perfect). Misschien is het omdat de rest van de band weliswaar aanwezig was, maar op veilige afstand zat, voor een keer ik op het podium en zij in de zaal. Hoe dan ook, we moesten kiezen waar we mee zouden beginnen en de keuze viel op mijn pianospel.
Daar ging ik dan. Het was natuurlijk niet alleen voor mij spannend, want voor de band was het ook maar afwachten wat dit voor dag zou worden. Maar ik denk dat ik ze snel gerustgesteld heb. Het was eigenlijk heel verraderlijk, want ik moest een koptelefoon op om mijn eigen pianospel te kunnen horen, dus het leek alsof ik het lekker voor mezelf kon houden. Maar stiekem had de hele band ook zo’n koptelefoon. En de crew. En de cameraman. Kortom, iedereen waar ik me van tevoren zenuwachtig voor had gemaakt kon alsnog precies horen wat ik deed, inclusief alle genadeloze opnameapparatuur.
Maar! Juist door die valse vrijblijvendheid vielen de laatste zenuwen van me af en begon ik gewoon te spelen. En dat voelde verdomd goed. Dit was nog eens genieten van een bijzonder moment. Een bijzonder halfuur dat alsnog veel te snel voorbij was. Aan het eind van dat halfuur mochten we door diezelfde koptelefoons nog één keer luisteren hoe het was geworden, hoe de piano, de accordeon en de zang van ons beiden samenvielen met de muziek van Rowwen Hèze zelf en op dat moment kon ik een brede lach niet meer onderdrukken.
En toen was het nog niet helemaal voorbij. Ondertussen zat het artiestencafé vol met andere deelnemers maar omdat wij de eersten waren geweest wilde een verslaggever van Dagblad de Limburger per se met ons spreken. Dus nu staan we nog in de krant ook. Het kan niet op. En hoe ik daardoor weer – zonder erom te vragen – aan het telefoonnummer van Tren kwam ga ik niet verklappen, want het verhaal is al veel te lang. Niet dat ik zo brutaal ben om hem te gaan bellen, maar erover opscheppen mag best toch?
De tv staat aan. Nietsverhullend. Er zijn zo veel verschrikkelijke verhalen in de wereld. Je kunt de wanhoop lezen van mensen hun gezichten.
Ik weet hoe het is als plots lijkt, of blijkt, dat je het leven dat je had of dat je voor je zag, het prachtige leven waarvan je alle mooie dingen tot in detail had uitgedacht, niet kan leiden. Hoe het is om meerdere malen per nacht wakker te worden en te beseffen dat het slechte nieuws dat werd gebracht echt waar is, geen nare droom, en nog een uur te piekeren en huilen voor je weer in een rusteloze slaap valt. Om terug te denken aan de laatste momenten dat je nog van niets wist. Toen je nog gelukkig was, nog blij met alles wat je dacht te hebben. Te beseffen dat je dat niet meer hebt. Misschien wel nooit meer.
En dan viel het bij mij allemaal nog mee.
Het is niet altijd te voorkomen. Mensen worden ziek, mensen gaan dood. Maar wat ik niet snap is dat er nog steeds dagelijks miljoenen mensen zulk verdriet hebben, terwijl het hen door een ander is aangedaan. Terwijl die ander het ook níét had kunnen doen. Eén seconde maakt soms een levenslang verschil. Wat ik niet snap is dat mensen liegen, bedriegen, stelen, moorden. Hoe kunnen we elkaar zo veel afnemen terwijl niemand van ons zou willen dat het hemzelf zou overkomen? Zijn we niet veel te slim om alleen maar aan onszelf te denken?
Er is eigenlijk maar één ding wat ik wil zeggen: stop. Stop ermee. Maak nooit het leven van een ander kapot. Zelfs niet een heel klein beetje.