Ik ging liggen in het zand tussen de gebouwen van deze stoffige en onbekende stad. Ik wist niet eens waarom. En plotseling was daar die kat met zijn roodgestreepte vacht. Hij sprong op mijn borst.
Ik schrok.
Onbeweeglijk lag ik vanaf dat moment, bang voor zijn nagels en hopend dat hij weg zou gaan.
Hij ging niet weg. Hij bewoog zijn kop naar mijn gezicht en begon me op mijn mond te kussen. Zachte, kleine kusjes.
En ik nog altijd doodstil, wachtend op onheil, ik was er van overtuigd dat er een moment zou komen dat hij plots zou bijten. Of de nagels uitslaand van me weg zou springen, littekens achterlatend.
Maar de kat beet of krabde me niet. De kussentjes onder zijn pootjes stapten na een tijdje van me af. Ik stond op en liep weg. Toen ik het plein op liep keek ik om en zag dat de kat me nog altijd in het vizier had, voorzichtig volgend. Ik riep hem. Hij kwam naar me toe.
Zo prachtig mooi, te groots aangrijpend
vertederend bijtend, stukje bij beetje
likt het warme gif aan de ziel, verterend, verleidend.
Mijn liefde veel te groot, te onwerkelijk, onmenselijk,
alsof jij geen mens zou zijn, zoveel als ik van je houd.
Het drijft me tot het uiterste, het moet naar buiten.
Ik tem het
en laat het weer gaan, wat moet ik toch beginnen;
ik kan gewoon niet zonder,
want dit maakt mij en dit maakt jou, jij, jou.
Zou het niet veel gekker zijn als het
me géén angst aanjagen zou?
“Een maand maar. En dan kom ik bij je, voor altijd.”
Hij meende het, en toch was het niet waar. Het vliegtuig steeg op en nam zijn paspoort mee. Het moederland wachtte, en ik keek toe en vreesde want ik wist het, al wist ik nog niet wat.
Ik wachtte. De pijn van het wachten was nog erger dan het weten.
Er steeg een vliegtuig op, jankend boven zijn stad. Het kwam niet naar hier.
Hoe Jezus stierf.
De lichten weerspiegelden vanaf het begin in onze ogen. De kinderen zongen: “Hosanna!” “Gezegend is God!”
En wij deden de rest. Hoe hij verraden werd. We geselden hem, droegen zijn kruis op onze stemmen, en slaakten de laatste kreet voordat hij stierf.
Eén minuut stil. Ik staarde naar de kerkmuren. Tranen in mijn ogen toen het zingen weer begon.
We zongen het lied van hoop. En daarna was het feest. Feest! Het is gelukt! Een nieuwe passie, zo mooi, zo veel stof tot denken. En dat allemaal vanwege die maffe, overmoedige componist. Maar gek is hij niet. Hij is geweldig. Hij heeft het klaargespeeld.
Ik tel de dagen af. Nog vier nachtjes slapen. Vier nachtjes voordat alles eindelijk samenvalt. De koren, het orkest, de regie, de kleding, het licht, de kerk en niet te vergeten: publiek.
De repetities worden steeds langer maar ook steeds mooier. Naarmate iedereen het beter kent is er meer tijd voor dynamiek, emotie en samenhang. Luisteren naar elkaar. Met velen zijn en merken dat je stem getraind begint te raken, fit is. De dirigent omver blazen.
Soms sta ik van woede te trillen op mijn benen. Ik vóel de muziek, meer en meer.
Ik kan niet wachten. Zondag, dan, eindelijk. En voor wie ik nu nieuwsgierig heb gemaakt:
Het is volop lente. Ik was vergeten hoeveel vogels hier dan fluiten.
Ik kijk de tuin in. Het lijkt alweer zo ver terug. Nog niet zo lang geleden stond ik hier elke dag te kijken. Of het nu vogels, regen, sneeuw of bloemen waren. En ongetwijfeld dacht ik er dan wat van, maar ik kan me van die ontelbare keren echt niet meer herinneren wat.
En nu? Ben ik eigenlijk ooit in mijn leven zo lang niet hier geweest?