De jongen met de bril weet feilloos zijn hand te leggen op al mijn tekortkomingen. Hij kijkt ontdeugend, aldoor. Ik lach, want wat zou je anders moeten doen in de armen van een man die je net tien minuten kent.
Ik probeer er nog tegenin te gaan maar mijn woorden worden traag en betekenisloos. Het heeft geen zin. Hij heeft gelijk. Iedereen heeft altijd gelijk als het om mijn leven gaat, ben ik dan stomweg eigenwijs?
Hij weet niet dat zijn troostende woorden het uiteindelijk alleen maar erger maken. Morgen, als hij alles weer vergeten is, zit ik hier in mijn eentje en loopt er een traan over mijn wang.
Het oor gonst. Maar dat geeft niet, want het gonzen van de noten gaat er samen mee. Een verkrampte rug zet zich op de pianokruk. En dan begin ik. Het is als kristal, zo helder in de stilte van deze dag. Alsof het thuisblijven de oren open laat, ze nog niet verpest zijn met de geluiden van de straat. Spelen tot de polsen stram zijn: het verslaaft. Het geeft nieuwe energie en nieuw gevoel, de handen nog soepeler en meer bevangen, expressief.
Een van de mooiste dingen aan pianospelen is het zelf niet begrijpen hoe je vingers over de toetsen strijken. En het luisteren naar de klanken die wel haast onmogelijk lijken.
Dan heb je nergens zin in,
en krijg je van die levensvragen:
wat is de zin van dit bestaan?
Niets, want ik geloof in Darwin
of cruer nog gezegd:
je voortplanten en doodgaan
zodat je nageslacht zich hetzelfde afvraagt
tot in het einde der tijden.
Neem dit nou maar van me aan:
beter zou je zo’n vraag vermijden.
Het regent, en het is nog nooit zo gepast geweest. De druppels zijn koud. Maar kouder nog wordt mijn lijf als ik om me heen kijk. Zo groot. De ontelbaarheid op de gemaaide heuvels, de grauwe hemel staat goed bij de grijze kruisen. Het zijn er altijd weer meer dan je je kon herinneren.
“Auf diesem Friedhof ruhen 31585 Deutsche Soldaten”
31585 kruisen, 31585 verhalen, 31585 keer pijn, angst en verdriet. Sommigen werden nooit meer geïdentificeerd. Maar ze gaven allemaal hun leven. Hadden nog niet eens echt een leven gehad, want het overgrote deel van hen werd nog geen 25 jaar.
Waarvan ik de muren niet wist en de wegen niet ken. Donker en koud. Of ik links of rechts moet, de trappen op, de trappen af, struikelen en vallen. Bloed op de stenen en een spin op het plafond, druppend langs mijn schenen, de draden in mijn mond. Rennen of stilstaan? Het janken achter me en gillen in de verte. En hier ging ik zelf in, ik weet niet wat me bezielde, de angst kruipt naar mijn keel en sleurt me door het stof, trekt me onder en weer boven, zet me van alle kanten klem.
De appel valt op tafel. De stukjes kroos die ik er met mijn nagels af heb gepulkt springen omhoog. Ik had de appel vast. Maar nu niet meer, en ik begrijp niet echt waardoor.
Mijn vingertoppen branden zich aan het kopje koffie, omdat ik niet op de hitte reageer. Ik zet hem maar weer neer.
Ik kijk naar de appel. Naar de koffie. Naar de appel. De appel kan in de koffie. De koffie kan op kop. De koffie kan over het toetsenbord of op de grond. De appel kan uit het raam, de koffie kan in mijn haar en de appel in één keer in mijn mond.
Ik raak niets meer aan. Mijn handen trillen. Ik sta niet op, zou over de stoelpoten vallen. Onbeweeglijk adem ik in en uit, totdat het ademen vanzelf stopt.
Midden in de nacht sta ik op. Ik zie het door het raam: het licht in het oosten is van de maan, die liggend op haar rug in de struiken slaapt.
Ik loop de deur uit en adem de mist. Ochtendgeur. De zon hangt precies daar waar de maan sliep. Een platte witte schijf in de nevel, maar ze wint aan kracht. Stralen vallen op bedauwde spinnenwebben en de koude straat. De hemel ontwaakt.
Het kon zo echt niet langer. De gordijnen moesten dicht en het boek weer open. Ze kuste het starre hout gedag en liep naar de rand van het balkon. Ze durfde niet, maar toch wist ze hoe het verder ging.
Ze liet zich met gespreide armen vallen en vloog de wijde wereld in.