Het regent. Het is vier uur. De nacht is lang en ik ben boos, boos, boos.
Ik ga rechtop zitten om het woelen te doorbreken. Trek één been op en sla mijn armen er omheen.
Ik kijk mijn kamer rond in het donker. Al zie ik alleen schimmen, ik weet precies wat hier hangt en staat.
Mijn grote foto aan de muur. De beeldjes die ik zelf maakte. De amethyst naast de oude computer waarop ik vroeger spelletjes speelde, het oude mondstuk van mijn saxofoon. De zilveren poef, waarop ik al geen jaren meer gezeten heb. De bloemen die ik in mijn haar had op de bruiloft, de twee blinkende kokers met mijn diploma’s. Hoge hakken, nagellakjes. De plaat van Rowwen Hèze. En het zelfontworpen t-shirt aan de muur niet te vergeten, met die zes prachtige gezichten.
Ik druk mijn lippen op mijn blote knie. Mijn hoofd is zwaar, maar niet meer van woede.
“Perzisch tapijt heer op de vloor.
Geschilderd landschap an de moor, witte wolke in ’t vergezicht.”
Jack zingt zijn lied voor me. Ik zie nog zijn ogen in de novembernacht, alsof hij toen al wist dat hij me voor nu moest troosten.
“En mar denke, en mar sloape. Opnij beginne, heer in dit paradijs.
Blieve droeme, blieve hoape. Vur altied blieve, vur altied”
Ik wieg mezelf in slaap.
(Fragmenten: Jack Poels – Rowwen Hèze, Geal, 2012)
“Pak me dan, als je kan!”
Zo gaat dat nu al dagen.
Gevoelens door je vingers glippend;
laat mij gewoon eens even
zielig in een hoekje zitten,
want dit is niet te verdragen.
Met hem kon niemand praten. Het enige wat ik hem gezegd had is dat hij muziek moest gaan maken. Dat ik wist dat hij dat zou kunnen.
En hij deed het. Kocht een viool, een dure, ik weet niet waarom; blijkbaar waren mijn woorden overtuigend geweest. Anders zou je wel beginnen met iets makkelijks, iets toegankelijks. Een gitaar bijvoorbeeld. Maar hij pakte het meteen groots aan. Misschien was dat het, het niet houden van kladblaadjes of half werk, net zoals ik. Als je iets doet, doe het dan goed.
Het bleef lang stil. Het zwijgen in de gangen was ondraaglijk te noemen. Gek van de leegte vroeg ik hem uiteindelijk steeds naar zijn viool. Drie woorden zei hij dan: “Het gaat goed.” En glimlachte in zichzelf. Precies zo, altijd. En ik was blij voor hem, maar kon er niet mee leven. Ik moest meer weten. Want ík had hem die hand gereikt, het leek of het hem gelukkig maakte, kon hij dat dan niet delen?
Na weer een half jaar zonder een woord, minstens, hield ik het niet meer. Vastberaden vroeg ik het hem. Of hij een keertje bij me langs wilde komen, met zijn viool.
Hij deed alles wat ik van hem vroeg. Misbruik zou ik er van kunnen maken, maar dat deed ik niet. Ik schoof de pianokruk aan met precisie en vroeg wat híj wilde. Kreeg nog antwoord ook. Dus ik begon te spelen. Met de spanning in mijn vingers, want met viool samen spelen had ik nooit eerder gedaan, laat staan met iemand als hem.
Maar ik hoefde niet te leiden, hij wist precies welke kant dit op moest. Zo had ik hem nog nooit meegemaakt. Zijn snaren jankten als de mijne weenden, de zijne schaterden als de mijne huppelden. Het was voor het eerst dat hij iets leek te voelen, dat ik iets van hem begreep. Dat iemand hem begreep. Dat hij iemand begreep.
Nietsvermoedend liep ik richting de hoofdingang. Er kwam een oude kerel naar buiten met een ontploft kapsel. Hij stapte op zijn fiets en keek me verlekkerd aan.
“Goeiemórgen”, zei hij met hetzelfde lieflijke stemmetje als de oude schoonmaakster.
Ik heb geen spier verrekt. Dat gun je zo iemand immers niet. Houd je kwijlerige gedoe voor je! Terwijl ik naar binnen liep probeerde ik me nog in te beelden dat dit geen vieze man was, maar dat de schoonmaakster zich in haar vrije tijd graag als ontplofte wetenschapper verkleedt. En even vergat dat ze haar pakje al aan had toen ze me gedag zei.
Toen ik boven kwam zat de schoonmaakster natuurlijk gewoon koffie te drinken met de rest van de huishoudelijke dienst. Nee, het was toch echt een vieze man die ik tegenkwam op mijn schone vrijdagochtend. Getsiebah. Ik mag toch hopen dat die vent hier niet vaker komt. En anders verkleed ik me voortaan wel als rimpelige schoonmaakster. Met een grote wc-borstel die ik desnoods in zijn gezicht kan duwen, onder het motto: viezer zul je er in ieder geval niet van worden.
Mijn wang ruikt naar het parfum van een man. Wat is er gebeurd, wat is er in godsnaam met me gebeurd? En hoe kan ik dat niet begrijpen als het zo heerlijk ruikt?
En er is niet eens iets gebeurd. Niets, nada, niente. Krankzinnig geworden bloed, dat is het enige. Het kolkt in mijn ledematen, het is knettergek geworden, het haat me, het houdt van me, het zeult me uit elkaar. Ik ben een zombie van mijn eigen gedachten, zo sleur ik me door de dag. Ik ben er niet, onzichtbaar, en iedereen ziet het. Maar niemand zegt iets.
Kapot ben ik. Ik wist niet dat liefde banger kon maken dan de dood, of een leven zonder liefde. Hij vroeg me wat mijn grootste angst was. Nu weet ik het.
Wat ik nu ook doe, kan ik het mezelf ooit vergeven?
Als alles pijn doet, na zes dagen. De voeten en de benen van het dansen. De stem van het schreeuwen en praten, het logge lijf, de nek, het hoofd van het lange slapen.
Dan is dit wat er overblijft: schouders, armen, handen. En de piano die staat te wachten in het middaglicht door de ramen.
Denken en spelen. De stad is leeg nu. Ik zou zo weer kunnen gaan. Uitstappen op het perron dat gisteren nog vol was met wandelschoenen en gladiolen. Maar de stad is leeg, ik dans niet, ik speel. Geen roze lippenstift. Geen accordeon, hoogstens nog een half afgebroken tent en wat zooi in de straathoeken. Ik dans niet, maar mijn handen wel. Snel, dan weer langzaam. Als het dwalen over de pleinen, het zoeken naar muziek, het gulzig opslokken van alles wat er te vinden is, wat er te dansen valt, wat er te genieten is. Maar geen knappe zangers nu. De toetsen rammelen onder mijn vingers, polsen stram. Zat ik zelf maar op dat podium, ik bespeel het publiek dat er niet is. Niet meer. Eindigen in de kroeg met iemand die lastige vragen stelt. Vindt hij me leuk? Vind ik hem leuk? Hij weet het niet, hij heeft te veel gedronken. Ik weet het niet, zoals gewoonlijk. Mijn hoofd schudt, de harde lange noten komen via mijn oren naar buiten. Nu doet echt alles pijn. Ik werk en zweet en het mag, ik heb niet anders gedaan en zou ook niet anders willen. Het is te lang geleden dit, de week is alweer te lang geleden ook, maar toch moet ik ooit stoppen.
Laatst zag ik het programma Puberruil waarbij een tiener uit de stad en eentje van een boerderij tegen elkaar werden uitgewisseld en een tijdje elkaars leven moesten leiden. Ik was in shock, omdat ze allebei zo in shock waren. De stadse had uiteraard nog nooit een koe van dichtbij gezien, laat staan aangeraakt en ze gruwelde van al die viezigheid. De dame van het platteland daarentegen kwam in allerlei moderne pubs terecht waar ze zich niet op haar gemak voelde omdat ze thuis altijd in een of andere keet bier gaat drinken met jongens met klompen en rode wangen.
Ik vind dat raar om te zien, want beide zijn voor mij heel normaal en de tegenstelling bestaat in mijn leven nauwelijks, het gaat perfect samen. Iets drinken met vrienden doe ik zowel in een boerenschuur als midden in de stad, in de gaybar voor mijn part (vorige week nog). Kalfjes geboren zien worden. Mensen kijken vanaf een balkonnetje in de winkelstraat. De geur van gras en bloemen. Een stadsfiets. Wandelen in het bos. Verschillende culturen. Dialect.
Ik pik gewoon het beste mee van twee werelden. Ik vlucht bijvoorbeeld naar de stad als er hier tegenover koeienstront in de wei wordt gesproeid, de wind precies naar ons toe staat en alles stinkt, zoals vandaag. Toedeloe.