Het stokje van de lolly rolde tussen zijn handen. Prachtig rood, in de vorm van een hartje en ingepakt in een doorzichtig cellofaantje met een rood lintje. Hij hoefde hem al niet meer te zien om het te weten, had het ding nu al zeker twintig keer bekeken. Hij staarde voor zich uit en glimlachte alleen bij de gedachte.
Wat zou ze doen? Zouden haar ogen groot worden van verwondering, zou ze lachen, zou ze hem aankijken? Hij wist het bijna zeker, want hij zag geen andere reden waarom ze elke donderdag hier was, precies op hetzelfde tijdstip, terwijl ze zoveel andere treinen kon nemen. Waarom ze af en toe een blik op hem liet vallen, maar ook niet vaker dan dat, haar ogen altijd snel weer wegschoten – ze wilde niets verraden.
Hij keek om zich heen. Ze was er nog niet, maar haar haastige gestalte kon elk moment aan het eind van het perron verschijnen.
Drie lichten boorden zich door de donkere verte. Hij keek op zijn horloge. De trein was op tijd, maar hij hoopte dat hij langzaam reed. Zijn hard bonkte in zijn keel terwijl de rails, waar ze elke week samen verlegen naar staarden, glimden in de nacht.
De trein stopte met piepende remmen. Hij aarzelde, was als laatste bij de deur en zette slechts één voet binnen. Het perron was leeg, de lolly tikte zachtjes tegen de stang bij de deur en zijn adem stokte een moment toen hij in de verte iemand zag rennen. De verkeerde kant op.
Toen de conducteur ongeduldig werd was er nog steeds niets te zien. Hij tilde zijn voet weer naar buiten en besloot dat hij moest wachten, het moest, want het kon niet anders dan dat ze de trein had gemist.
Een uur later stierf het geluid van de zoveelste trein weer weg van het perron. Hij keek nog één keer naar de lolly. Vouwde het cellofaan open. En stak hem in zijn mond.
Vandaag is het boerenbruiloft in Venlo. Ze zeggen dat je deze middag dan ook niemand in ‘normale’ carnavalskleding zult aantreffen in de hele stad. Dat is niet waar, want ik sta op het station om over te stappen. Al zou ik in deze outfit geen stap buiten het station durven te wagen.
In het stationsgebouw wordt carnavalsmuziek gedraaid. Ik krijg er kippenvel van. Niet omdat het nu zulke mooie muziek is (denk je dat ik doof ben ofzo?) maar vanwege het feit dat er ondanks dat zoveel mensen op de been te krijgen zijn. Het zit in de volksaard vergrendeld, dat vind ik nou mooi.
“Kom lekker menneke, kom lekker menneke…”
Nee, de teksten zijn ook niet allemaal even geweldig. Dit is er typisch zo een waar ik niks mee heb. Ik ga niet naar het carnaval om random jongens bij de kont te vatten, om het zo maar te zeggen. Mijn carnaval bestaat uit dansen, zingen en cassis drinken. Ja, ik ben heel braaf. Soms word ik er zelf misselijk van.
Ik ben vast en zeker de ideale schoondochter, dat wel. Het probleem is alleen dat ik op deze manier waarschijnlijk nooit schoondochter word.
Langzaam komen blauwe luchten aangedreven. De zon breekt door en werpt haar schaduw. Een lang verhaal.
De witte wereld glinstert in het gele licht. En dan begint het. Druppeltjes vallen als blinkende kristallen van de daken, langs de ramen, op de grond. En druppels worden stralen die de wereld strelen. Water gutst langs de ramen en vervormt de frisse kleuren die waarschijnlijk heerlijk koel geuren. Het is de dag waarop de huizen baden in smeltende sneeuw. Het voelt als nieuw.
Wat een onzin. Slanke mensen hebben geen geheim. Sommige mensen hebben nou eenmaal genen die ervoor zorgen dat ze vijf borden eten moeten eten per dag om niet van hun stokje te gaan. Die mensen waarbij het verschil tussen niet snoepen en je schaamteloos dag na dag volproppen slechts een kilootje of drie is. Die zó weinig vetmassa hebben, dat sporten ervoor zorgt dat ze aankomen, omdat ze meer spiermassa aanmaken dan dat ze vet verliezen. Ja, die mensen bestaan, en voordat je jaloers wordt, moet je even goed luisteren.
Slank zijn is een evolutionair voordeel. Anno 2013. Want slank is sexy (blijkbaar), en als je sexy bent kun je jezelf voortplanten als een tierelier. Maar is dat altijd al zo geweest? Ik dacht het niet. Dunne mensen moeten heel veel eten om aan hun energiebehoefte te voldoen, en voor die eigenschappen zijn we tegenwoordig aan het selecteren met ons gedrag. Maar wat nu als de Maas overstroomt, er een kernbom ontploft, de aarde zich in tweeën splijt, en er bijna geen voedsel meer is? Dan gaan wij als onzuinige chocoladesloeberaars allemaal hartstikke dood.
Er is maar één manier om je zowel nu als in tijden van nood te manifesteren: een superzuinig motortje. Maar dan moet je wel diëten tot je een ons weegt. Letterlijk.
Het is de leegte die zich vult met beven. Het harde slaan van de trappen op de treden, van de deur die maar nauwelijks toe wil geven. De zolderkamer is te ver van de mensen op straat, maar te dichtbij voor hem in deze staat. Ik hoor het aan hoe alles kraakt, aan het gordijn dat langs het dichte venster gaat.
De ogen toegeknepen, de pijn zoveel mogelijk vergeten. De hoop die langzaam langs de muren naar beneden loopt, het slaan van de rake klappen op mijn armen en mijn benen. Omdat ik niet verdien te leven.
Gisteravond keek ik nog naar de boom, waarvan elke tak aan één kant wit was. Nu zijn de takken vooral nat. Ik vind het maar niks als de sneeuw moet smelten doordat er regen op valt. Het geeft zo’n sopzooi. Maar het gaat redelijk snel, dat wel. Laat het maar gauw weg zijn, want ik kan hier niet naar kijken.
En alsof het nog niet erg genoeg is: op de één of andere manier heb ik op dit soort dagen ook altijd spierpijn.
Ik houd van de evolutie. Het is niet uit te leggen hoe prachtig de evolutie is. Evolutie is niets, het betekent niets, komt uit het niets, en toch is het alles, alles om ons heen.
Behalve muziek. Muziek is geen onderdeel van de evolutie. Het dient nergens toe, het vergroot niet je kansen van overleven, het levert geen nageslacht op. Muziek is ooit ontstaan, en niemand weet waarom we instrumenten bouwen, ze leren te bespelen en nachtenlang dansen. Waarom we er waarde aan hechten.
Laat mij geen mens zijn. Een mens is liefde, maar ook haat. Ik haat de evolutie. Laat mij nu maar alleen, met mijn mondharmonica.
Ik klop de sneeuw uit mijn sjaal en wrijf door mijn gezicht. Wangen vol vaseline, maar ondanks dat voel ik de vlokken smelten tot koude druppeltjes op mijn huid. In mijn haar waait de wind, die zich niks aantrekt van de dikke nepbonten muts op mijn hoofd.
Bah. Het helpt om bah te zeggen. “Bah, bah, bah”, roep ik hardop tegen het snijdende oosten. Koude tenen. Het ijs zucht en kraakt, geluiden schieten onder me door van links naar rechts en van rechts naar links. Schel, maar toch steeds doffer naarmate het ijs meer sneeuw draagt. Ik buk me en ga verder. Waarom? Ik heb geen flauw idee.
Als ik aan het einde ben draai ik me om. Dat is het probleem: met de wind op de rug ga je vanzelf. De armen gespreid. Je hoeft niets te doen als sturen, slalommen langs de opgewaaide sneeuwhopen. Skiën op ijzers. De zon breekt langzaam door. En als ik terug ben bij mijn schoenen voelt de dag zo heerlijk dat ik nog lang niet weg wil. Dat is het probleem: ik begin dus weer opnieuw.
Het vriest. Nu weet ik toevallig dat jullie, lieve lezers, dat niet allemaal even leuk vinden – ik noem geen namen. Daarom (eigenlijk omdat ik het in een gekke bui aan Lisa beloofd heb, maar ik doe even alsof ik heel aardig ben) gaat mijn verhaal van vandaag niet over dat ene spul waarover je je in schaatshouding kunt voortbewegen, maar over het andere: asfalt.
Asfalt en ik, het gaat hier om een haat-liefde-verhouding. Asfalt komt bij mij op de tweede plaats. En dat weet het maar al te goed. Bij gebrek aan beter waag ik mij eraan in de zomer, want asfalt is het beste alternatief. Asfalt brengt je op heel wat plaatsen en dat onder redelijk wat weersomstandigheden. Maar het is onbetrouwbaar. Dit, mensen, is een wijze levensles: neem nooit zomaar iets van asfalt aan.
Op een mooie zomerdag is het weer ’s avonds ideaal om wat te sporten. Niet te warm, maar ook zeker niet koud, droog, weinig wind. Maar zelfs op een mooie zomerdag – herinner me alsjeblieft niet aan de lelijke zomerdagen – kan asfalt vanalles voor je in petto hebben. Laten we ermee beginnen dat je beter niet kunt proberen om een nog onbekende route te nemen. Want je komt altijd wel ergens van dat eigenaardige spul tegen dat gemeentes alleen maar op de weg neerleggen omdat ze gewoon af en toe willen pesten. Van die abortusweggetjes, waarop je knieschijven tien centimeter naar beneden trillen. Of je eindigt, als je bíjna weer op de vertrouwde weg bent, ineens ergens in een zandbak, waardoor je alsnog om kunt draaien.
Maar ook bekende routes zijn niet te vertrouwen. Zand, grind, water, takken, het kan er allemaal liggen van de ene op de andere dag. Kan je je kogellagers weer schoonmaken. En dan heb ik het nog niet eens over scheuren. Of de zon. Dan vraag je je misschien af wat er in godsnaam mis kan zijn met de zon. Nou, ten eerste schijnt de zon op je huid. En dan krijg je dus duo penotti: enkels wit, kuiten bruin, knieën wit, dan nog een randje bruin en tenslotte de rest van de bovenbenen weer wit. Zelfde verhaal met de armen, om niet te spreken over het Johnny Hoogerland-effect van een helm.
Ten tweede schijnt de zon op het asfalt. “Nou en, asfalt kan toch geen huidkanker krijgen?” Nee. Maar het wordt wel warm. En als het warm wordt, wordt het stroef. Stroperig zelfs, en als je dan even over zo’n opgemaakt stuk moet en niet in de gaten hebt dat dat asfalt zacht is, zak je erin weg en ga je op je bek. Niet hard gelukkig, want het asfalt is zacht. Maar toch; als je een keer een verdwaalde skeeler uit de weg ziet steken, doe me dan een plezier een haal me eruit, oké?