Op mijn eerste werkdag viel er een pak sneeuw een een pak van mijn hart. Ik zal het nooit vergeten. Ik stiefelde op mijn oude, koude schoenen naar de derde verdieping. Daar begon het dan, het harde werken.
Het kostte me nog wat voordat ik eindelijk besefte dat het nieuwe jaar pas twee weken gaande was. Het leken wel maanden. Want er was zo veel gebeurd, en ik had zo veel gedaan. En toen snapte ik het pas: ik werk altijd al hard.
Het roodborstje pikt in het gras. Een zacht bolletje in de kale tuin. Hij bivakkeert al jaren bij ons, alle seizoenen. En toch is hij altijd alleen. Volgens mijn moeder is hij gekomen toen oma stierf.
De jasmijn is een paleisje. Het roodborstje springt op zijn dunne pootjes van tak naar tak, past er net tussendoor. Geen kat die hem daar zal vangen. Zo’n paleisje zou ik ook wel willen. Om helemaal naar boven te klimmen. En dan te vliegen, weer bij het begin te beginnen. Huppelend tussen de wintermadeliefjes.
Ik dacht eerst dat het hagelslag was. Maar nu ik beter kijk lijken het toch vooral ingedroogde stukjes bieslook. Hier, op dit houten tafeltje waar ik al drie uur naar staar. Een houten tafeltje naast een raam naast de nacht vol zaklampen met brandweermannen.
Nee, ik weet niets zinnigs te vertellen. Als er iemand voor de trein gesprongen is. Het is ongetwijfeld een schrijnend verhaal, maar ik ken het verhaal niet. Ik weet alleen dat de knal heel hard was. Heel, heel hard, direct gevolgd door een gebonk onder de trein wat je niet gevoeld wilt hebben.
We moeten er maar niet te moeilijk over doen. Een autootje meer of minder, ach, in Afrika heeft helemaal niemand een auto. Dat er dan hier rond de jaarwisseling een stuk of wat in brand worden gezet, wat maakt het toch uit. Die kereltjes die zoiets doen zijn vaak nog geen twintig, je kunt het ze toch niet kwalijk nemen? Er komen tegenwoordig zoveel verantwoordelijkheden op je af, dan kan er wel eens eventjes iets fout gaan. Af en toe een dolletje moet toch kunnen? Ze menen het heus niet zo slecht; jij en ik maken ook wel eens fouten. Daar heb je goede voornemens voor, nietwaar. En die maken die jongens ook hoor, heus wel, want als ze weer met een prikstokje voor paal staan in het stadspark hebben ze echt wel spijt. Maar voornemens zijn nu eenmaal lastig. Op 1 januari zeggen we nog massaal: oké, nu ga ik écht niet meer snoepen, nu ga ik écht stoppen met roken; een maand later zitten we allemaal gewoon weer aan de chocoladesigaretten. Als het niet eerder is. Dan ben je op 31 december zéker allang vergeten hoe verdrietig de buurman vorig jaar was toen zijn oldtimer in lichterlaaie stond, ja toch? En dan drink je eens een biertje, een wijntje, middernacht ga je aan de champagne, kan het zomaar zijn dat je jezelf ineens een ruitje in ziet tikken van de nieuwe auto van de buurman. En een rotje naar binnen gooit. Of in de ambulance die ter plaatse is gekomen omdat even verderop een kind gewond is geraakt. Je moet zoiets niet te zwaar nemen, dat kindje kan wel even wachten, die heeft nog een heel leven voor zich.
Maar als er dan op 2 januari – als de goede voornemens af zijn en de alcohol uit het bloed is – een trein in de fik wordt gezet begin ik wel een beetje aan mijn theorie te twijfelen.
De accordeon staat naast me terwijl ik plots een voorzichtig geluid hoor op de doorbuigende planken. Ik grijp geruisloos één schouderband en kijk voorovergebogen tussen de coulissen. Niets te zien. Ik houd mijn adem in. Stilte.
Mijn andere hand beweegt langzaam naar beneden. Mouw schuift een stukje mee omhoog als ik de leren banden over mijn klamme schouders hijs. Ik draai mijn hoofd naar rechts en begin met een d. Terwijl mijn linkerhand zich langzaam, heel langzaam van me af beweegt richt ik me op en spits mijn oren. Mijn vingers duwen behoedzaam op de knoppen.
Daar is ze. Ik doe alsof ik haar niet zie, speel slechts voor haar terwijl ze dichterbij sluipt. Want ik weet wat er komt.
En als ze danst, gaan mijn vingers als vanzelf sneller. Ik voel alles wat ik doe, maar kijk nu niet meer. Ik wil haar zien, ik wil in me opnemen hoe ze zwiert over het hout, alles op haar tenen, zwarte schoentjes, vederlicht. Ik zie de lampen schijnen op haar schouders, de schaduw van haar lange wimpers op haar wangen, de lijn van haar kuiten die uitbundig huppelen op het ritme van mijn rechte rug. Mijn ritme, maar zij bepaalt het met haar stijl, zo sierlijk, zo bedeesd, dat ik niet anders kan dan al mijn bewondering geven. Ze zweeft erop.
Terwijl ik mijn kracht verspeel drijft ze langzaam weg, over het podium naar de andere kant. Mooi als ze is was ze weer even van mij. Maar ze verdwijnt keer op keer.
De coupé was leeg. Eng leeg, bijna. Maar toch had ik liever gehad dat die man niet binnengekomen was, want behalve van het type ‘ik luister muziek waardoor ik niet hoor dat ik heel hard op mijn kauwgom smak’ was hij ook van het type ADO-hooligan. Daar ga ík niet aan vragen of hij zijn mond misschien dicht kan houden tijdens het kauwen.
Hij stapte uit in Arnhem (toch Vitesse?) en werd niet veel later vervangen door een loensende bijna-bejaarde die de mavo had gedaan. Ik schaamde me om te zeggen dat ik doctorandus ben. Maar hij vroeg ernaar – ik ga er niet om liegen.
Goed; nu het leuke gedeelte van het verhaal. De mensenmassa’s op Utrecht CS zijn altijd behoorlijk taai. Ik zag Renze als eerste, en meteen daarop de rest (Sophie en Laurakwadraat) maar moest nog het een en ander ontwijken voor ik er was. Ik denk dat mijn benen te lang zijn. Maar ongeduldig of niet, ik kwam er.
We gingen poolen – ik zeg niet wie de zwarte bal in het verkeerde gat speelde – WCMMS drinken en pannenkoeken eten. Ik heb een hoop over mezelf geleerd. Om een lang verhaal kort te maken: ik heb geen erg Brabants accent, en al ben ik wél hoorbaar bijna-Limburgs, als je mij ziet is het lastig voor te stellen dat ik ‘rare dingen’ doe bij Rowwen Hèze. Toch ben ik knettergek. Eh, snap jij het nog? Ik niet. Laat maar, volgende. Ik ben geen oud vies mannetje. Dat is natuurlijk het belangrijkste.
Tot slot nog een cadeautje van de NS: de trein terug ging niet stilstaan op de spoorbrug bij Nijmegen dus ik haalde mijn aansluiting. Hoera!
De zon kwam op, ging onder, kwam op, ging onder en kwam weer op. Maar laten zien heeft hij zich niet.
Kijk; het was een beetje onduidelijk wanneer die Mayakalender nou precies ging eindigen. De meeste rekenaars kwamen uit op 21 december, maar 23 december heb ik ook gehoord. Langzaamaan ga ik er nu toch maar vanuit dat er niets te gebeuren staat. Wat hoogst teleurstellend is, want stiekem had ik het wel spannend gevonden als de Aarde ineens de andere kant op was gaan draaien. Of als het aardmagnetisch veld zich zomaar ineens had omgedraaid. Als alle organismen in plaats van koolstof ineens silicium zouden kiezen als bouwstof voor het leven. En waar zijn die vier extra chakra’s die we nu zouden moeten hebben?
Nou, het geval wil dus dat ik nog steeds niet heb kunnen vaststellen of de zon nog gewoon in het oosten opkomt en in het westen ondergaat. Op een kompas heb ik nog niet gekeken, evenmin heb ik een koolstof-NMR gemaakt van een toevallig uitgevallen haar. Met chakra’s ga ik me verder niet bemoeien, misschien is er ergens een psycholoog die mij wil helpen?