Het valt niet mee. Om je weblog goed bij te houden. Want er zijn zo veel leuke dingen te doen, en dat natuurlijk altijd op de dagen dat ik iets had willen posten.
Neem gisteren. Eerst naar de kermis in Best, altijd leuk, maar ook snel weer naar huis om naar een bijzonder optreden te gaan, lekker vlak bij huis op het voetbalveld. Een concert van U2NL, oftewel U2-nummers door een viertal rockende Nederlanders. Maar het leuke was, dat één van die vier mijn buurman is. En míjn buurman maakte het helemaal, want hij liet in eigen dorp niet alleen zien dat hij kon drummen, maar – verrassing – dat hij nog kon zingen ook.
Ik heb zo goed voor hem gejuicht dat sommige mensen ineens dachten dat ik ‘de drummer’ aan het versieren was, dat was nou ook weer niet helemaal de bedoeling. Ik ga niet de vader van mijn oppaskinderen versieren, nee. Maar het was hoe dan ook gaaf :)
Hormonen zijn stomme beestjes. Ik ben zeker niet de eerste vrouw die dat ooit gezegd heeft. Bijna eng, zoals die onzichtbare dingetjes zo’n invloed kunnen hebben op hoe je je voelt.
Maar daardoor zijn hormonen ook heel erg leuk. Ze reguleren een organisme als geheel en ik durf wel te zeggen alle functies die je maar kunt bedenken. Ze zijn chemisch en biologisch tegelijk. En er valt nog ontzettend veel te ontdekken.
Er is alleen één probleem. Wat is leuker, plantenhormonen of dierenhormonen? Ik zou geen keuze maken, als het niet had gehoeven. Maar je raadt het al: het moet wel. Ik moet, en het ergste is dat het een keuze voor het leven is. Ik ben helemaal in de war.
Hormonen zijn stomme beestjes.
Hij bukte. De rottende deurposten in deze oude stad waren laag. Het was er stil en droevig. Uiteindelijk was het gelukt om het water weer te laten zakken, maar het had de havenplaatsen van toen niet gered. Hij vroeg zich af hoe het geweest zou zijn, om te weten dat het water alsmaar hoger kwam en te moeten vertrekken uit je geboortestad.
Nu stond hij hier tussen de huizen van zijn voorouders. Hun beleid had hun eigen steden verwoest. Welvaart noemden zij dat, maar dat was het nauwelijks, wat ze toen hadden. Industrie, dat was het woord. Zo anders.
Hij keek rond in het huis. het zag er niet comfortabel uit. Hoekige meubels, harde vloer. De meeste achtergebleven voorwerpen had hij nooit eerder in het echt gezien.
Veel dingen herkende hij als plastic. Niet plastic zoals hij zelf gewend was te gebruiken. Dan zou het na al die jaren immers allang verteerd moeten zijn. Dit was dus het soort plastic dat nog altijd als onzichtbaar kleine korreltjes door alle zeeën dreef en elke levende cel op aarde vervuilde.
In een hoek stond iets wat een computer zijn moest. Het was moeilijk te beseffen dat dat gekke, levenloze ding ooit toegang kon verschaffen tot de hele wereld, of meer rekenkracht had dan honderden mensen samen. Want hijzelf ving de wereld met zijn handen. Zijn vingers konden elk vlaagje informatie dat in de lucht hing voelen. En zijn hersenen waren groot genoeg om de ingewikkeldste getallen in een oogwenk te verwerken.
De computer was vochtig en oud. Tot zijn spijt, want hij had zo graag eens willen proberen.
Ten slotte zag hij de restanten van een bed. Het was klein en hard, maar hij ging liggen en viel in slaap. In zijn droom beleefde hij hoe het vroeger was.
Heej zaat in ’t leger en woj gen gewear
de sergeant di zei dat huur ik ni gear
als de vijand keumt, di kent gen pardon
heej zei dan bloas ik ze um met miene accordeon
(Jack Poels – Rowwen Hèze, Blieve Loepe, 1990)
Het eerste wat ik in je zag, was dat je niet van me zou houden. Nooit.
Ik pareerde op die gedachte. Want als jij niet mij, dan kon ik jou, zonder dat dat ooit gevolgen zou hebben. Je kon me nooit teleurstellen.
Dus zwierf ik alle dagen om je heen. Ik lachte om je grappen. Luisterde naar alles wat je zeggen wilde. Fluisterde als je nadacht. Ik deed alles en toch niets, en wist dat het perfect was. Want ook jij hield je aan onze geluidloze afspraak: je zei nooit iets. Je droeg me op je gevoelloze leegte. Er kon niets gebeuren.
Tot jij op een dag niet terugkwam. Nooit meer terugkwam. Je was weg, samen met alles wat ooit zeker leek.
Het waterkanon staat in de regen.
Hij merkt het niet eens.
De aardappelplanten blijven snakken naar adem,
de rijen bloemen zijn wit.
Ik houd van de waterige pluim in de verte.
Als de trein ineens niet verder rijdt, zie je pas hoeveel domme mensen er in dit land leven. We moesten uit de trein en wachten op een bus. Het was buiten de spits, dus we stonden daar met slechts een man of dertig.
En toch zijn er dan binnen no-time acht, negen mensen die uit frustratie nicotine nodig hebben. Dat verbaast me. Ten eerste had ik eigenlijk gedacht dat het percentage rokers in Nederland hoogstens de helft hiervan was, maar misschien is vrijdagavond-Veolia geen goede afspiegeling van de gemiddelde Nederlander. Enfin; dan snap ik het nog steeds niet. Wat moet je bezielen om in deze situatie – die erop neerkomt dat Veolia je van een uur van je tijd berooft – ook nog eens een paar dagen van je leven af te róken? Dat vind ik persoonlijk vrij ondoordacht. Of eigenlijk gewoon heel erg dom.
En nou denk je misschien dat ik zelf gefrustreerd ben als mijn trein vertraging heeft en dat op rokers moet afreageren, maar dat is het niet. Ik kan er gewoon niet zo goed tegen om in andermans stank te moeten zitten. Dus áls je zonodig het effect van een vertraging wilt vertienvoudigen, doe dat dan ergens waar weldenkende mensen er geen last van hebben.
Dankjewel.
(Dat heeft die jongen schijnbaar even nodig.)