Zorgvuldig begroef ik mijn nagels en viel ten slotte in slaap op het geknakte kruis. Toen had je me. Je nam me bij de heupen en tilde me hoog boven je bleke hoofd en zo hing ik, mijn natte haar plakte op je gevlochten rug. Mijn lange jurk scheurde toen je met me door de rafelige struiken rende en mopperde op de roestige trompet waar je bijna over viel. Ik werd pas wakker toen je me ondersteboven op de composthoop legde en ik lachte ondeugend naar je. Je woeste blik viel in het water. Het maanlicht spiegelde nog in de kringen tot hij voorgoed verdween. Je was door mij aan je lot verkocht en je was zo schattig nu. Ik wikkelde je in zware lappen en veegde je op mijn hoopje bewaarsels.
Nagellak is wel leuk, maar niet handig. Dat heb je met meer dingen. Met een bakkelieten telefoon bijvoorbeeld. En met schaatsen op natuurijs. Dat is, eerlijk gezegd, één van de meest onhandige dingen. Eerst moet je verzinnen waar je zou kunnen schaatsen. Dat is meestal behoorlijk gokken, dus dat valt al niet mee. En als je dan denkt een plekje te weten, moet je je op de kou voorbereiden. Oftewel allerlei kledingstukken over elkaar aantrekken. Op de goede volgorde ook nog, want je onderbroek over je salopette ziet er natuurlijk niet uit. Dat zijn van die details in het leven waar je wel even rekening mee moet houden. En wat ook zo handig is: je kan natuurlijk niet met je blote voeten in je schaatsen, zoals anders, want dan vriezen je tenen eraf. Moet je daar weer wat op gaan verzinnen. En eigenlijk kan er niks zoals anders. Leren schaatsen op kunstijs is in principe het stomste wat je kunt doen. Want dan sta je daar, op dat rafelige natuurijs (als je tenminste betrouwbaar ijs gevonden hebt), en als je lekker in de houding gaat zitten en twee meter schaatst lig je al achterover omdat je over een of andere hobbel stuitert. Dan dus niet in de houding, maar eigenlijk blijft er zo niks van je schaatstechniek over en komt het op je conditie aan, die je dan weer net níet hebt, want ja. Op kunstijs gaat het zo lekker soepel. Ondertussen moet je die snijdende kou trotseren die van je sjaal een brok ijs maakt. En als je na een paar uur ploeteren weer thuis komt is het eerste wat je kunt gaan doen je schaatsen slijpen, want die zijn dan zo bot dat je niet meer op kunstijs kunt schaatsen. En zul je zien, dat je nagels ook nog breken. Zeg maar dag tegen je nagellak. Toch doe je het allemaal, want het moet. Iéts in je dwingt je. Wat? Geen idee.
Op een dag verbloemde ik mezelf. Ik vond een pen en rook de verse inkt. Dus schreef ik alles af en begon te tekenen. Mijn benen ontbloeiden. Dikke, gitzwarte lijnen. Mijn armen, mijn gezicht. Donkere lippen, lonkende ogen. Ik stak een bloem in mijn haar. En toen zwierde ik, door de nacht, die niks zag.
Er was al die tijd al een onverklaarbare liefde voor die ene kerstplaat. Die cd die was opgenomen door een aantal totaal onbekende mensen uit een klein dorpje ergens in Brabant. Geen bekende mensen. Geen uitstekende zangers, geen pakkende carols. Niets bijzonders, zouden anderen me zo vaak zeggen. Maar míj greep het en ik probeerde niet eens ooit een verklaring te zoeken, om de simpele reden dat dit volkomen logisch voor me was, dat het bij mijn Kerst hoorde zo lang als ik me kon herinneren. En nu, na al die jaren, dan ineens dat onnozele besef.
Het is nog donker. De ochtend ligt ogenschijnlijk onbewogen over de velden, bomen steken zwart af tegen de donkerblauwe lucht. Vogels wachten het daglicht nog af, nu dichte wolken de morgen voor zichzelf houden. Toch is er iets aan de hand. Langzaam beginnen grijze randen zich af te tekenen tegen de bevroren ondergrond waarover de trein rijdt. Iets wat er nog niet was. Iets wat niet alleen door het eerste licht zichtbaar wordt, maar ook omdat het zich vermenigvuldigt. Toch lijkt het stil. Tot het oranje schijnsel van straatlantaarns verraadt hoe onstuimig deze dag is opgestaan: de sneeuw vecht zich met de harde wind naar beneden, dikke vlokken werpen zich op het zand, op straten en op daken. In een bui van onzin, omdat zij daar beneden in dooi ten onder gaan.
Het is lang geleden. Ik was je, eerlijk gezegd, helemaal vergeten. En vandaag was ik dan, zoals zo vaak, op die kale, gure plek waar ik meer dan eens gehoopt had je toevallig te treffen. Het regende en mijn voeten bewogen zich behoedzaam over de glimmende stoep, die de afgelopen dagen in een ijsbaan was veranderd.
Pas toen ik de weg over wilde steken keek ik om me heen. Ik herkende je in één oogopslag. Eigenlijk had ik nog niet eens echt naar je gekeken, toen ik al wist dat jij het was die daar, net zo eenzaam als ikzelf, door het donker liep. Ik reageerde onwaarschijnlijk rustig. Schonk er geen aandacht aan dat jij begon te rennen. Naar me toe, tegen de wind in, over het natte, spiegelende asfalt. Rakelings langs me heen. En weer van me weg, richting de bus die je dreigde te missen. Natuurlijk had ik er geen moment aan getwijfeld dat het niet om mij ging. En toch was je even zo vreselijk dichtbij. Ik keek je nog na, onder de indruk van je verschijning in het witte licht van de straatlantaarns, vol ongeloof over wat zojuist gebeurd was. Ik grinnikte. Bewust was ik altijd uit je buurt gebleven. Ik had gewoon niet verwacht je toch ooit in de weg te zullen lopen.