Rancune
Dit is het niet.
Je moet het vergeten.
Maar dan ben je weer alleen.
Of eigenlijk nog steeds.
Daar doe je niet aan mee.
Dit is het niet.
Je moet het vergeten.
Maar dan ben je weer alleen.
Of eigenlijk nog steeds.
Daar doe je niet aan mee.
Wie in Vierlingsbeek uitstapt, vindt een rustpunt.
De ronkende trein laat je achter in een gerieflijke stilte. De geur van kou, regen of gras; welk seizoen je ook inloopt, het ontvangt je met open armen. De lucht is puur.
Er is altijd wel een vogeltje dat vrolijk, maar zachtjes kwettert. Het struikgewas beschermt je voor de drukte van elke ochtend en avond.
Soms zie je koeien, een andere keer gaat de zon net onder. Nu en dan knispert een laagje sneeuw onder je voeten.
Maar de bielzen zijn een zekerheid. Vertrouwen.
Even voelt alles goed. Dat is thuiskomen.
31 december
8:00
De wind staat in het oosten. Dat hoor ik. Nu moet je niet denken dat ik een bijzonder gehoor heb ofzo. Het zijn gewoon de kerkklokken waarvan het geluid over de daken, de bomen en het spoor, via mijn raam mijn oren in waait. Dat gebeurt hier in het uiterste westen van Vierlingsbeek zelden.
Oostenwind. Ik wacht op natuurijs.
9:58
Ik word wakker, zie dat het bijna tien uur is maar besef het niet. Ik draai me om en val weer in slaap.
10:00
Boem. Pats.
Boemknalpatspatsboem.
Ik word weer wakker en besef het nu wel. Vuurwerk. Voordat ik klaar ben met beseffen, gaat de voordeurbel.
“Goedemorgen!”
“Goeiedag, d’n olliebolle!”
“Moi, dankjewel en ’n goeie jaarwisseling wa!” (mijn vader kan niet zo goed dialect)
“Jow, ’tzelfde! Hajje!”
Ik was net blij dat ik alle kerstchocolaatjes weg had weten te werken in redelijk bescheiden proporties, verdeeld over de dagen. Nu zitten we met ladingen oliebollen. Ze willen mijn cholesterol hoe dan ook te hoog hebben.
Gelukkig heb ik gisteren een flink eind geschaatst. Terwijl ik me dat bedenk voel ik het in mijn rug.
10:08
Pats. Boemboemboem.
Opeens herinner ik me dat er een oostenwind staat. Daarom hoor ik het zo goed.
Wat doe ik hier eigenlijk nog?
Voordat ik opsta recht ik mijn rug, wat wel kraakt maar niet helpt.
10:26
Ik hap aan mijn tweede oliebol. Laat het natuurijs maar komen.
Ik droomde van mijn vrouw,
we lagen dicht bij elkaar in ons bed
in die droom die ik al dromende
voor waar hield.
Toen werd ik wakker naast mijn vrouw,
we lagen dicht bij elkaar in ons bed
en de droom leek iets dat mij alleen maar
ver van haar hield.
Ooit mag ik dood,
dan word ik opnieuw gewaar
dat ik aan ’t ontwaken ben,
weer minder aan ’t dromen ben,
dichter nog bij haar gekomen ben
dan toen het leven me als een droom
ver van haar hield.
Als een lied dat je eindeloos zingt
en dat telkens weer meer
als nieuw klinkt.
(Herman Finkers – Herman Finkers, Na de Pauze, 2009)
We zongen ’s nachts om vrede maar moesten vechten om onze stoelen. We deden vooral niet echt ons best.
De volgende dag gingen we naar vrienden en familie in onze stinkende auto’s om te eten, en dat vooral toen we al volzaten. Het hoofdgerecht gooiden we half weg omdat we echt niet meer konden, dus we begonnen aan de wijn. Omdat een sapje lekkerder, maar niet duur genoeg was.
Gezelligheid. Alsof we het niet naar onze zin hadden toen we afgelopen zomer in het gras lagen en schaterden van het lachen, omdat we alleen elkaar hadden.
Toen deze ‘gezelligheid’ voorbij was keken we op de televisie naar meisjes in verre landen, die niet naar school kunnen en alle dagen halfnaakt door de modder ploeteren.
Wij trokken onze portemonnee, want we moesten hoe dan ook
zelf nieuwe kleding hebben.
Ondanks deze dagen,
een vrolijk jaar gewenst.
Het dooit. De wereld drupt, waar je ook kijkt.
Ik denk aan een concert waar het niet de gesmolten sneeuw, maar de gecondenseerde waterdamp was die van het plafond, gitaren en zelfs een neus drupte. Een neus voor geluk.
Toch zal het weer gaan vriezen. Liefst als het druppen is gestopt.
Ik wacht wel. Niet op kristallen, maar een harde massa die me dragen kan. De droge kou, recht uit Rusland.
De zon stond lang na de koperrode opkomst nog altijd zo laag dat hij leek te willen vallen. Maar het bos van zwarte handen hield hem stevig op.
Het licht was als van een bevroren planeet. Oogverblindend voor wat winter heet: te mooi. Het viel hard op een dichtgevroren plas. De bielzen die nog moesten brengen glinsterden van de rijp, net als lage boompjes en de weilanden die grijs waren als de lucht. De lucht, die adem inhield en wachtte op het eerste dunne laagje sneeuw.
Op een paaltje keek een kraai met grote ogen, wist nog niet dat zijn pootafdrukken perfect zouden gaan maken.
De stralen schreven een witte taal op de fonkelende aarde. De verte was van goud, verdronk de zomer in de lange schaduwen.
12 december
Iemand zei:
"Ik geloof echt in karma. Als je iets slechts doet, denk ik dat je het ook weer terugkrijgt."