Het is gemeen en ongrijpbaar. Je kunt vanalles vastpakken, maar het krullen van je vingers heeft geen betekenis. Elke handeling is leeg.
Je bent er wel, maar voelt alleen de oneindige verte van je leven en de zoute strepen op je gezicht. Datzelfde laatste beetje voelen mag niet, nóóit wegtrekken en je handen worden klauwen die willen scheuren en breken. Maar dat is laf en heeft geen zin. In gedachten zit de schaar al in je haar en het mes tussen je ribben.
De accordeonmuziek geeft de doorslag. Het is onbereikbaarder dan ooit.
Haat me. Ik ben weer veranderd in iemand die het denken niet aankan.
Red me niet; het is allemaal niet waard.
Als we vroeger met de trein naar opa en oma gingen, kwamen we er altijd langs. De bomenrails, het verlaten stuk spoor van Nijmegen naar Kleve, dat gedeeltelijk langs de Maaslijn loopt. Het stond vol jonge boompjes die tussen de keien van de spoorbedding hun weg naar het zonlicht hadden weten te vinden, toen geen trein hen meer kon belemmeren. Die bomenrails vond ik prachtig. Ik zat de hele reis te wachten tot we er eindelijk waren. Dan keek ik naar de boompjes en probeerde me voor te stellen hoe er treinen moesten rijden, niet helemaal begrijpend dat die nooit meer zouden komen. Ik keek ook naar het roestige bruin van de rails zelf en besloot dat dat mijn lievelingskleur was. Ik reisde niet om een bestemming te bereiken. Ik reisde om de bomenrails te zien. Dat leek alles.
En wat is er dan mooier om nu, vijftien jaar later, dagelijks datzelfde stukje spoor te passeren, naar de nog altijd jonge bomen te kijken en de roestige, werkeloze seinpalen achter gordijnen vol nostalgie. Ik wacht af tot de rails in de hoogte en het bos verdwijnt en hoop stomweg dat ik daar ooit ook eens, in een trein, verdwijnen zal. Begrijpen doe ik het nog altijd niet.
Het zijn de drukke dagen die me onttrekken. Als ik in het late donker thuiskom is daar wel de piano die in het kunstlicht staat te lonken, maar ik ga niet.
Er is al geen tijd om alleen maar te luisteren. Ik moet te hard nadenken en te snel achtereen, in compacte massa’s die niets doorlaten. Colleges soms niet eens.
Ik mis het meteen. Alles wat ik hoor is leeg en doorzichtig.
Waar blijft de dag dat de toetsen weer mijn ringen weerspiegelen onder het lage, gele zonlicht? Ík loop wel weg, maar mijn gedachte aan de gonzende lucht die me kan omhullen nooit.
Binnenkort goudgelakte kleppen.
Niet al te lang geleden vond ik mezelf huilend in een trein. Laat ik zeggen dat dat geen dagelijkse gewoonte van me is. Maar ik kon even niet anders.
Misschien ga ik je hevig teleurstellen als ik vertel waarom dan. Geen heftige verhalen. Ik had geen ruzie. Geen problemen op school. Geen liefdesverdriet. Er was niemand dood. De trein had ook niet zo onnoemelijk veel vertraging dat ik niet meer op mijn bestemming aan zou komen.
Tegenover mij zat iemand kauwgom te kauwen.
Ik herinner me dat ik het er al eens vaker over heb gehad. Toen was het een voorval. Nu is het een regelmatig terugkerend probleem. Het lijkt wel een nieuwe mode: kauwgom eten en dan vooral met zo veel mogelijk herrie erbij. Het is smerig. Irritant. Lomp. En als je maar lang en hard genoeg doorgaat, krijg je mij er mee aan het huilen. Ja, dat laatste is mijn eigen gebrek. Maar ik snap alsnog niet waar tegenwoordig de ouders zijn gebleven die je vertellen dat je met je mond dicht eet. Bestaan ze nog, manieren?
Helaas was ik zelf gemanierd genoeg om me er niet mee te bemoeien.
Het is even over half 6. De avond is gevallen, alweer iets vroeger dan gisteren. Het lijkt op de neerwaartse spiraal van mijzelf en vallen op de ijsbaan. Je weet dat het zich niet altijd voort kan zetten, je kan immers niet vallen vóórdat je opstond. Eens zal het tij zich keren. Dat lijkt waarschijnlijk.
De avond is gevallen en het is spits op de campus. Zelfs de lichten maken drukte. Vooral de witte schijnsels die uit de gebouwen met veel glas bruisen. Dan zijn er de lichten van het verkeer, iedereen die haast maakt om na een lange dag thuis te komen. Voetgangers rennen om een trein of bus te halen. Door rood of groen, ze doen maar wat.
Zelf heb ik geen haast. Ik ben op tijd. In tegenstelling tot de massa ga ik naar de universiteit tóe. Ik loop rustig en kijk om me heen. Ik lach om de haast, de drukte en de chaos. Laat me niet door de menigte van mijn pad brengen. Weet dat ik op hakken loop. Word bekeken maar kijk niet terug.
De campus loopt leeg maar de lichten zijn aan. Voor mij.
De voorgrond is donker. Het is avond. De schaduwen overvallen ons.
Er zijn huizen en een brug. We ruiken het water dat de stilte angstaanjagend maakt. Er komt nauwelijks licht door de ramen. Eén lantaarn weerspiegelt in de rivier en werpt de doffe geur van petroleum. Dat weten we.
Een stenen vrouw kijkt neer op de peilers van de brug die zich rond vouwen onder de laatste voetganger, wiens schaduw nu recht onder hem valt. Het beeld is okerkleurig maar grof en korrelig, net als de beelden die onze ogen zich vormen van de omgeving, zich een lange weg banend door de nacht.
Takken buigen zich over ons en alles wat nog buiten is. Ze beschermen ons van de blik van de panden die zich al zo lang als een front opstellen en dreigend dichterbij lijken te komen zo gauw de bergen de schemering over het dorp werpen. Maar we weten dat de ramen en deuren dicht zullen blijven.
Als ook de laatste achter een deur verdwenen is, dooft het vuur. De gebouwen worden oranje, bruin, tenslotte zwart. Zij zijn verdwenen.