De hemel, dacht ik, want die is al zó lang blauw, dat mag wel eens iets anders. Mijn ogen, dacht ik, want zij zijn vergeten hoe ze moeten lachen. Vergeet-mij-nietjes, dacht ik, want natuurlijk word ik, vroeg of laat, onvermijdelijk vergeten. Google, dacht ik, want daar valt zóveel blauw te vinden…
Blauw, blauw en nog eens blauw.
En toch, wat ik als éérste dacht, dat mogen jullie raden.
Nederlanders en alle andere gebruikers van de Nederlandse taal: het is feest! We hebben een nieuw leesteken! Het wordt gebruikt om ironie aan te geven, want een dergelijk teken hadden we hard nodig! Nee, in plaats van het uitroepteken dat ik hier gebruik, bedoel ik uiteraard ons nieuwe bliksemflitsje. Dat zal iedereen het met me eens zijn. Of misschien toch niet? De dubbelzinnigheid die er op dit moment vanuit gaat wens ik in ieder geval niet meer tegen te komen: waarom moet alles toch weer nodeloos ingewikkeld? Het begint al, zonder dat ik het ding überhaupt heb gebruikt.
De stakkers, die menen dat een leesteken als dit van enige betekenis is in de Nederlandse taal. Waarom is ironie ironisch? Omdat we het graag tussen de woorden verstoppen. Omdat we, zonder daadwerkelijk te willen laten zien dat er iets aan de hand is, de lezer even willen laten nadenken over het geval. Omdat we dus de kunst van het weglaten kennen, en dáár zit het geheim achter onze ironie. Een leesteken hebben we daarvoor niet nodig, sterker nog: waar blijft de ironie als we zelf niet mogen bedenken of iets ironisch bedoeld is of niet?
Een leesteken voor ironie. Een doodnormale punt erachter en jawel hoor: de ironie spat er als vanzelf al vanaf. Dat zal niet beter zijn als we er zo’n prachtig gekronkeld uitroeptekentje achter zetten. Slechter zelfs. Maar wat – niet voor ons natuurlijk, maar voor degenen die dachten eindelijk eens enige rol in de samenleving te kunnen hebben – nóg erger is, is het feit dat we de bedenker moeilijk nog serieus kunnen nemen. Degene die op het idee komt een leesteken voor ironie in te voeren, roept immers over zichzelf uit dat we hem met enigszins ironische blik aan zullen kijken. En die ironie die van de trotse aankondiging van het leesteken uitgaat, belooft ook niet veel goeds. Misschien had men eerder moeten bedenken, dat veranderingen aan onze taal altijd al de nodige ironie met zich meebrengen, omdat we inmiddels wel weten dat ze nergens goed voor zijn. Laat staan, wanneer geprobeerd wordt de ironie zélf onder handen te nemen met deze ontwikkelingen. Een lachertje is het daarom geworden, en de bedenkers daarbij. Het feit dat ze het hadden kunnen en moeten voorzien, maakt het alleen maar erger. En we zijn hiermee nog niet klaar, want ons tekentje is ook nog eens geïntroduceerd ter gelegenheid van het thema van de boekenweek 2007: Lof der zotheid. Dat is nu wat je noemt: lovenswaardig!
Toch zal ik de bedenkers moeten nageven dat ze in één ding geslaagd zijn: jezelf écht belachelijk maken is heus zo simpel nog niet.
Ik loop van het station naar huis, de hoek om en – Hé! Lang niet meer gezien, maar relatief toch kort geleden: een waterkanon. Nu?
Ja, nu. Eind maart, en daar verschijnt er alweer een! Heeft het dan zo lang niet meer geregend? Diep graven – ik weet het niet. Blijkbaar niet. Niet normaal voor maart, meen ik te weten.
Het heeft wel iets: laten we alles gewoon eens anders doen. De natuur gaat zijn gang – of deze nou door de mens beïnvloed wordt of niet – en tja, waarom ook niet? Moet alles dan per se blijven zoals het al die jaren was? Warmer, kouder, ik vind het best.
Broeikaseffect erg? Misschien. Het verandert de zaken, maar er is in het verleden van onze planeet al zoveel veranderd. Ijskappen smelten, dan smelten ze maar. Half Nederland loopt onder water; dan hebben we binnenkort strand op ’t Schafferden. Ook leuk.
We zouden de mens niet zijn als we er toch wel iets op zouden vinden. Heel Nederland evacueren naar de Mount Everest, alles goed. De dieren gaan wel mee en anders gaan ze maar niet mee – dood gaan ze uiteindelijk toch een keer.
Ze zijn alweer voorbij… Jammer, jammer! Het was echt heel leuk om mee te doen, en ook om je klasgenoten muziek te zien maken. Ik ben nu helemaal verliefd op Rob’s saxofoon (ja, alléén op zijn saxofoon), dat klinkt zo goed! Ik wil ook saxofoon spelen!
Niet dat ik alle anderen niet goed vond ofzo, dat was ook fantastisch, maar een sax is echt een heerlijk instrument :) Jammer genoeg zie ik mezelf nog niet echt saxofoon spelen, maar misschien een keer mét een saxofoon spelen dan? ;)
Ik had graag wat meer van mezelf laten zien. Hoewel het zo ook heel leuk was. Maar het duurde zo kort! :( En twee dagen zijn zo weinig… Met zo’n leuk publiek wil ik wel elke dag optreden!
Helaas verwacht ik niet dat ik nog een kans krijg hier op school. Stom, stom ook dat ik er pas in mijn laatste jaar achter kom dat het zo leuk is om mee te doen… Maar voor nu heb ik genoten en die herinnering blijft!
Ik wil iets schrijven. Ik moet iets schrijven. Wat zal ik schrijven?
Een citaat dan maar, vers vanuit mijn kwt Engels. Tja, vraag niet wat ik wél aan Engels heb gedaan dat uur.
Overigens niet in de originele kleur; wat zou dat vloeken tussen al dit groen. Help. Ik vloek tussen groen. Ik kleur niet in mijn leefomgeving. Ach ja, wat zou het: zelf zie ik het niet.
“Ik schrijf graag met rood. Waarom? Ik houd van schrijven en van rood. Ook van zwart, maar rood bewaar ik voor de ernstigste momenten. Het blijft de kleur van bloed, al is deze inkt toch wat licht.
Ik kan alles behalve één: ik kan het leven niet aan. Eigenlijk kan ik dus gewoon niets. Het is te zwaar, te moeilijk en de angst zit te diep. Vooral de angst maakt mij kleiner dan een mensenleven. Zwak, nietig.”
“Geef mij een klok, ik zal hem verzetten:
uren, dagen, jaren.
Waarom mag het niet helpen? Altijd sta ik toe, behalve nu – het begin van een Drama.”
Oh, en toch ben ik vrolijk. Nu. Even. Of misschien iets langer.
Langzaam, dwarrelend, diep vanuit het blauw. Eerder waren ze niet opgevallen en ik vraag me af waarom; jij had ze allang gezien en je scheen te weten waarvoor ze kwamen. Je probeerde ze te vinden als je meende dat dat nodig was al wist je niet precies wanneer. Doch van ons mocht je ze houden en bewaren voor het pad dat jij vervolgt. Altijd zullen weerklinken ook de woorden die wij je schenken in de echo die jij ons net zo gaf.
Beseffend dat ik alsmaar niets aan het doen ben, heb ik besloten toch maar even een nieuwe log te plaatsen. Wat zal ik eens typen?
Hoe is het hier op het platteland… De zon schijnt. Terwijl ik dit typ zie ik hem verdwijnen maar het zal vast niet voor lang zijn, de lucht heeft tussen de wolken een prachtige kleur blauw.
Ondanks deze zon en alle tekenen rondom me die op de lente wijzen, is het nog niet erg warm. De stemming is ook niet heel goed, hier. De oudste inwoonster van het Schafferden (hoewel al bijna een half jaar niet meer in Vierlingsbeek geweest) ligt aan de morfine. Mijn oma, ja. De kans dat ze volgende maand nog 92 wordt, is klein.
Maar goed, waarschijnlijk is het beter, als het niet al te lang meer duurt. Wat een lijdensweg… Precies waar ik ook zo bang voor ben.
Daar wil ik nu even niet aan denken; de lucht is prachtig, vooral weerspiegeld in de piano.
Wat een dubbelzinnigheid. En dan te bedenken dat oma op dit moment bijna geen lucht meer krijgt. Dat ze maar hoog in de hemel mag komen.
De sneeuwklokjes en krokussen staan al weer een tijdje in volle bloei, zelfs de eerste narcissen hebben zich al laten zien. De vogels fluiten weer, als ik ’s morgens wakker word. Bomen en struiken lopen al uit. Te vroeg! Niet dat ik het niet mooi vind, maar ik mis iets, ik ben iets kwijt. Waar is de winter?
“Als de tijd niet zo eeuwig ongrijpbaar was geweest, zou ik haar van de muren scheuren en tussen mijn vingers vermorzelen, de macht uit haar zuigen alsof ze altijd al zwakker was geweest dan de sprietjes gras die ik ’s zomers gewoon was op te eten, omdat ik niet wilde dat ze alsmaar groter groeiden. Maar de tijd zou naar mij nooit kijken en zelfs alleen maar sneller gaan naarmate zij verstreek; ook het gras scheen dat te weten want het groeide en groeide omdat het domweg nooit meer vroor hier, of omdat het echt besefte dat de tijd haar versnelling niet stopte. Mijn idee was, dat niet het gras, maar de zomer dit wist en zij daarom de winters verdrong, die winters waar ik alleen maar meer van ging houden. Omdat het mij nooit gegund scheen, te houden van datgene dat bij me kon zijn.”
De natuur neemt een hele belangrijke rol in op mijn weblog. Eigenlijk verdient ze wel een eigen categorie! Bij deze.
Om dan meteen maar met iets bijzonders te beginnen:
Een werk van Giuseppe Penone, een kunstenaar die veel doet met de natuur. Hij maakte een metersgrote afbeelding van een mond, bestaande uit duizenden enorme doorns. Toen ik het zag, was ik meteen verkocht. Ik vind het echt een geniaal idee! Ik vraag me af hoe het zou voelen er vol overgave tegenaan te springen.
Wat het verder met de mond te maken heeft, die er wordt afgebeeld, weet ik niet echt. Maar toch heb ik er mijn eigen theorieën over.